RSS feed

De herrijzenis van de dandy

Geplaatst op

Over de rol van de kunsten in een tijd van crisis

We wandelen over een brede laan met aan weerszijden een colonne van dicht naast elkaar geplante loofbomen. “Te dicht”, zeg ik. “Te dicht om ze allemaal tot volle wasdom, nee… tot hun volle potentieel te laten uitgroeien. Het is hun lot om tegen elkaar aan te schuren, elkaar weg te drummen voor een spatje licht, voor een greintje aarde, voor een likje regen.” Gemondmaskerde bubbels komen ons in vlagen tegemoet. Ik beantwoord hun holle, angstige dan weer kijk-mij-eens-hoe-flink blikken met een resolute afwijzing van contact. “Maskers horen thuis in het theater”, snauw ik. Mijn lief stompt me in mijn zij. Ik haal mijn schouders op, het kan me al lang niet meer schelen dat ik niet denk wat ik hoor te denken. Dat ik niet spreek, schrijf of creëer binnen het nieuwe normatieve narratief. Sinds het begin van de coronacrisis zie ik tot mijn grote ontsteltenis hoe een groot deel van de kunstensector zich ontpopte tot een toonbeeld van veerkracht, positiviteit en – oh wee! – solidariteit. We steken met zijn allen artistieke riemen onder het hart. We wringen ons in nooit geziene bochten en gooien onze kunst als voorgekauwde troost, als braaf amusement, als instemmend vermaak virtueel te grabbel. We maken onszelf wijs dat tegen schenen schoppen, twijfelen, reflecteren en vasthouden aan idealen niet van toepassing is in tijden van oorlog. We trekken ons mooiste pakje aan, we onttrekken onze genagellakte tenen uit de klei van de maatschappij, we verkondigen luidkeels de dood van de sociaal geëngageerde kunst en bevestigen zo de zelfvervullende voorspelling dat we niet-essentieel zijn. Applaus.

“Misschien worden er binnenkort wel toekomstbomen aangeduid” zegt mijn lief. “Die kunnen dan volop licht, aarde en regen consumeren en majestueus groot worden!” Ik knik maar ik ben niet meteen laaiend enthousiast. Ik ben een vat vol vragen: “Wat gebeurt er met de kleinere exemplaren? Worden die gewoon bij het groot vuil gezet? Of worden ze elders opnieuw geplant? Kan je een adolescent überhaupt zomaar verplanten? En is er eigenlijk wel een elders? Is er plaats voor iedereen? Zijn we niet gewoon met te veel? Moeten we de ruimte koloniseren? Mag je het woord kolonisatie nog wel uitspreken als onderdeel van de menselijke droom?” Ik bevind me in een donkere ruimte op een ingebeeld podium, de arena, de exclusieve retoriek van de kunst, omringd door een publiek van oplichtende ogen zonder gezicht. De tegenstander lijkt ongrijpbaar: Een zelfverklaarde nietsnut van een dandy die geruisloos meedeint in een klimaat waarin de uitgesproken, ongegeneerde intolerantie van andersdenkenden gecultiveerd wordt, waarin wantrouwig gekeken wordt naar kwetsbare groepen, waarin zondebokken aangewezen worden zonder enig tastbaar bewijs.

We strijden met ongelijke wapens. Ik krijg een knoert van een kreet ‘Stay safe!’ op mijn neus en ik wankel. Ik roep: “De ware onttakeling van de taal ligt in de leuze!” En ik dreun eindeloos l’Homme Révolté van Camus op en in mijn tegenstanders amygdalae (ter regulatie van angst)…. De saletjonker schudt de literaire druppels van zich af, vermijdt dat ze gedestilleerd impact achterlaten en besmeurt me met nietszeggende woorden van troost en schoonheid. De menigte joelt gedempt achter zijn muilkorf. Ik neem mijn pen en ik graaf. Ik graaf in de diepte tot er vragen uit oprijzen: Hoeveel mag dit beleid aan menselijkheid, aan morele principes en aan vrijheid kosten? Mag solidariteit selectief zijn? Mag ik zelf beslissen welke maatschappelijke prioriteiten ik het hoogst in het vaandel draag? Wat is volksgezondheid? Is er een hiërarchie van lijden? De pronker hoest en proest van zoveel ongemakkelijke vragen, tuitelt en valt neer op de grond. Het publiek is in ademnood. Applaus.

“Je ziet het te negatief, schatje. Te traditioneel. Misschien moet je wat minder waarde hechten aan de materialiteit van de dingen?” Ik stop abrupt met wandelen. De maskerparade stokt, botst bijna tegen mijn potentieel besmettelijke lijf aan, zucht, wenst me meer meegaandheid toe en herneemt dan resoluut de gezamenlijke koers. We zijn een rotsformatie in de stroom. Golven van lotsverbondenheid klotsen tegen onze huid. Deinende klanken breken de ruggen van woorden en wachten betekenisloos op een nieuwe taal. “Wat bedoel je?” vraag ik geïrriteerd. Ik heb geen boodschap aan de neoplatonische, christelijke overtuiging dat het idee de materiële werkelijkheid overstijgt in waarde of betekenis. Ik heb geen boodschap aan op zichzelf staande virtualiteit. “Wij zijn ons lijf! Ons denken, ons samenzijn, ons geluk én onze onweerstaanbare neiging om te scheppen is onlosmakelijk verbonden met onze lijfelijkheid. Wij planten leven in en persen leven uit ons lijf. Wij lijden. Wij sterven. Wij boetseren, schilderen, schrijven, zingen, tekenen, dansen het onzichtbare zichtbaar. Wij zijn kunstenaars. Wij gedijen in materie.”

Applaus. Mijn belager swipet mijn vragen van zijn vel, staat recht en lacht. Het is een hologram. Dat zie ik nu pas. De realiteit past zich maar mondjesmaat aan aan de mallen van ons denken. Ik vraag me af of mijn wapens hem überhaupt deren. Hoe betekenisvol, hoe krachtig kan ons concept van kunst als materiële drager van al dan niet controversiële ideeën, overtuigingen en maatschappelijke kritiek zijn in een wereld die zich steeds virtueler manifesteert? De fysieke afstandsmaatregelen die deze crisis ons oplegt zijn effectief sociaal van aard. Ze zorgden immers voor een significante en wellicht blijvende opschaling van een steeds rigidere digitale ervaring van samenzijn en communicatie. Het fenomeen van cancel culture ligt voortdurend op de loer in deze virtuele manier van samenleven. Elk idee, elke overtuiging, elke uiting van protest of kritiek, elke visie die niet strookt met de onze kan in een kwestie van een click verwijderd worden uit onze invloedssfeer. We omringen ons met gelijkgestemden en maken onszelf wijs dat dit dé realiteit is. Welke functie kan ongemakkelijke, kritische kunst nog hebben in deze selectieve vorm van werkelijkheid? Zullen kunstenaars enkel voor eigen parochie kunnen preken? Of zal de dandy dan toch zegevieren?

La Sirène du Marais

Geplaatst op

De afgelopen week was ik in Parijs. Na een bezoek aan het Picasso-museum in de gezellige buurt Le Marais, dronk ik een koffietje in Le Sévigné. Het was het begin van een geweldig ongeloofwaardig verhaal…

le sévigné

De ietwat kleffe, doch uiterst charmante eigenaar heet mij volmondig welkom. Bonjour, Madame! Voulez-vous vous installer à l’intérieur? Ik knik en laat mij een plaats aanwijzen. Zijn Franse klanken glijden over mijn lijf, laten een spoor van sensualiteit achter dat mij haast doet oplichten. Mijn mondhoeken krullen omhoog. Merci, monsieur, c’est gentil. Ik lik zijn taal van mijn lippen. Mijn tong knettert. Hij lacht en brengt mij een menukaart die hij – terwijl hij zijn bovenlijf tegen mijn rug duwt en over mijn schouder kijkt – vakkundig openvouwt op tafel (alsof ik dat niet zelf zou kunnen). Zijn goedkoop parfum klimt in mijn haren. Ik lach. Kijk omhoog – mijn nekhaartjes popelen tegen zijn bovenarm – en zeg dat ik enkel een koffietje wil. Un petit café. Hij vindt het een goede keuze, zingt mee met Serge Gainsbourg terwijl hij mijn koffie prepareert. Ik vind hem vulgair en innemend.

Ik blijf drie koffies. Tot mijn hartslag torenhoog is. Als hij mijn rekening brengt, vraagt hij fluisterend: “Madame, t’as déjâ entendu l’histoire de la Sirène du Marais?”

Ik kijk omhoog. Mijn nekhaartjes weigeren te dansen. “Pourquoi vous me tutoyez?” vraag ik beledigd. Ik hou van formaliteiten.

De charmeur is niet onder de indruk. Hij haalt zijn schouders op, rekent af en gooit een kaartje op tafel. “Si vóus-voulez, Madame” zegt hij enigszins geïrriteerd “on peut se rencontrer”.

Se rencontrer? Wat bedoelt hij daarmee? We hebben ons toch al ontmoet? Of betekent dat nog iets anders in het Frans? Iets clandestiens? Iets spannends? Iets wat ik in al mijn kleien Vlaamsheid niet begrijp?

Ik steek het wisselgeld en het kaartje verward in mijn handtas en ik wandel buiten. Niemand wenst me een bonne journée. Ik sta in het hart van Le Marais, op de rue Payenne, tussen het Picasso-museum en La Place des Vosges. Ik beslis dat ik verdwalen wil. Dat ik zonder enige verantwoordelijkheid voor richting, ondergedompeld wil zijn in deze stad. In het leven. In de liefde als ze mijn pad kruist. Ik verdool de hele dag, tot het schemert in Parijs, tot haar lichtjes ontwaken. Er brandt iets tegen mijn dij. Het is het kaartje in mijn handtas. Het lijkt te baden in een soort van aureool (maar misschien licht het ook wel gewoon op onder de blacklightbanner van de club waar ik op één of andere manier verzeild ben geraakt..) Ik zie nu pas dat het een uitnodiging is.

La Sirène du Marais

Wat moet ik hiermee? Ik houd niet van scancodes en vingerafdruktoestanden. Te meer omdat ik geen smartphone heb. Ik ben analoog. Ik woon IRL. Maar dat maakt mij ook stilaan gehandicapt in een wereld die steeds meer in een digitale dimensie verdwijnt. Ik zucht. De schubben op mijn bovenarmen trillen. De staartkern in mijn hoofd zwiept zenuwachtig op en neer. Ik denk aan de man in Le Sévigné. Je veux qu’on se rencontre. Adrenaline giert door mijn bloed. Ik baad in een zweem van zeelucht. Een jonge, zwarte matroos komt langs me staan. Vraagt of ik gechipt ben. Ik schud mijn hoofd, zeg dat ik analoog ben. Een rariteit. Dat ik thuishoor in één of ander houten kabinet. De matroos lacht, kijkt naar het kaartje in mijn handen en legt er zijn pols op. Beep. Dan neemt hij mijn wijsvinger en drukt die op het kaartje. Beep Beep. “Look @ the back of your hand”. Er verschijnt een adres en een routeplan op mijn hand. Rue de la Sirène 1313. Natuurlijk. Waar anders zou ik verwacht worden? “Just close your eyes & put your mind to it” lacht de matroos. Ik gehoorzaam. Sluit mijn ogen. Denk aan de man in Le Sévigné. Mijn benen worden week en glinsterend nat. De wereld rondom mij vertraagt. (Of adem ik gewoon te snel?) Ik word overspoeld door waanbeelden en onderwatergeluiden. Ik vraag me af of ik wel besta. Misschien ben ik gewoon iemands illusie. Ben je dat niet altijd?

“Madame?” Ik doe mijn ogen open. Le type du Sévigné staat voor me en reikt me een hand.

Ik kijk hem strak aan. Zeg in mijn beste Frans que “Je ne laisse me tutoyer que par les hommes avec qui j’ai couché et les femmes avec qui j’ai mangé 50 kg de sel“ (ik had dat eens ergens gelezen, maar dat hoefde hij niet te weten). Le type Sévigné lacht. Knikt. Het is al goed. Madame wordt gevouvoyeerd. We zijn niet voor niks in Parijs. Hij neemt mijn hand. We verdwijnen in een hoek van een plein via een deur die leidt door een tuin naar een kamer in een oud herenhuis met hoge, echovolle plafonds en kristallen kroonluchters.

Er weerklinkt applaus. Een menigte van uitzinnige, bloedmooie, sensuele mensen klapt in de handen als we de kamer betreden. Le Sévigné buigt en wijst me aan alsof ik een trofee ben. Opnieuw applaus. Ik weet niet goed of ik bejubeld of elk moment gelyncht kan worden. Mijn lippen en mijn tong zijn droog. Mijn bloed stolt stilaan tot zoutdruppels. Mijn pupillen zijn groot en uitnodigend. Ik gooi mijn haren los. Applaus. Ik dans rondom mezelf tot mijn benen op een staart lijken. Applaus. Ik smijt mijn armen in de lucht en roep: “Qui et où suis-je?” Wie en waar ben ik? De menigte verstilt. Le Sévigné komt dichterbij. Slaat zijn kolossale armen om me heen, kust me hard op mijn mond (mijn lippen trillen) en kijkt me ten slotte tevreden aan.

“Vous êtes, Madame…” zegt hij bloedserieus “la pièce manquante du puzzle, du mystère de la Sirène du Marais. Vous êtes, si vous voulez, la queu.” De staart? Ben ik een staart? Heb ik een staart? Ik kijk naar mijn benen. Maar die lijken verdwenen in een soort van laaghangende mist (verdampend zweet). Le Sévigné schudt zijn kop. Ik begrijp het niet. Hij knikt naar het publiek. Vier zwarte matrozen komen naar voren, grijpen elk een arm of een been van me en gordelen me vast in dit hoogst ongeloofwaardige (ik zei het toch!) verhaal. Ik bezwijk. Droom dat iemand mijn hersenpan opensnijdt en er de staartkern uitlepelt. Het ontbrekende stukje van La Sirène du Marais. Applaus! Dat Le Sévigné zijn creatie leven in blaast. Franse klanken in het bloed van de gekunstelde meermin. Applaus! Dat de menigte uitzinnig wordt en dat kleren & speeksel in het rond vliegen. Dat iedereen iedereen kust, likt & neukt. Qu’on se rencontre. Op de vloer. Van één of ander schouwspel. In mijn hoofd. Komt u ook? Vous êtes membre VIP.

A mouthful of silence

Geplaatst op

Once there was a man
who laid himself upon me

I thought of us as a poem
black on white
strong yet fragile

I slowly began to rhyme
to move my hips and dance
to the rhythm of our poetry

While his hands slid under
my skirt, my skin
around my waist of time

My synesthetic figure of style

I dropped my guard
as he advanced, as he planted his iklwa sword
in my tummy, as he grabbed my voracious throat

And choked me with silence

HOPI KACHINA DOLLS

(Don’t you know I’m a conquistador, he could have said. Striving to expand, to incorporate, to embody. To never loose ground, to always protect the borders of my lost land, my Kumari Kandam. He could have said. But he said nothing of that kind leaving me breathless instead with the sound of his withdrawing sword.)

 

Los tigres de papel*

Geplaatst op

Los tigres de papelCollage ‘Los tigres de papel‘ – 2019

 *De papieren tijgers

Ooievaar

Geplaatst op

ooievaar

Sprookjesbos

Geplaatst op

Wij woonden als kind in een bos. Een sprookjesbos. Met een metalen ros voor de deur. En een heks in het huisje op het einde van het pad. Rond het huisje had ze een web gespannen. Een sferisch web. Met verborgen magneten. Onze draver weerstond niet. Hoe we ook tegenstuurden, we belandden meermaals per week op de heksendorpel. Op den duur mochten we binnen zonder kloppen. Er zat sowieso geen deur in de deuropening. ’s Zomers niet. Dan moest je door een sluier van aaneengeregen walnoten en versteende rozijnen. Men zegde dat de heks getrouwd was. Ik geloofde dat niet. Ik geloof dat ze zichzelf soms in een echtgenoot omtoverde. Ze waren immers nooit allebei in het huisje. En ze waren op gelijke wijze boosaardig. Gewiekst. Geduldig. Altijd met een plan in het achterhoofd. Manipulatief. Onweerstaanbaar. Met een fluwelen mantelpakje aan.

Als we binnenkwamen, zat ze meestal voor het raam in de keuken. Daar rolde ze slechte dromen. De hele dag door deed ze dat. Met een slechtedromenmachientje. Onbewogen stopte ze boze herinneringen in het gleufje, dan friemelde ze een lege peul in het gaatje en dan: sjaksjak. Je kon er uren naar zitten kijken. Op het einde van de dag aten we bonensoep.

In het huisje woonde ook een papegaai. Die riep de hele dag dat hij douchen wou. En trek je bloesje uit. Trek je bloesje uit. Bloesje uit. In de douche. Bloesje uit. Trek je bloesje uit. Oelala. Bloesje uit. In de douche. Je werd er helemaal tureluut van. En als je dan terug opkeek, zat de echtgenoot aan tafel. De heks was dan altijd naar de winkel. Heel eventjes maar. Je mocht gerust blijven, ze zou zo terug zijn. Wij trapten daar niet in. Want de echtgenoot had lange vingers. Daarmee streelde hij graag over je rug. Zijn gele klauwen tippetapten over het Perzisch tapijt, gleden van de rozenstengels op de keukentegels onder je bloesje, streelden je vel, telden de huiverbultjes – één, twee, drieduizend – koorddansten op het rekkertje over je rug. De papegaai zong zijn lied. Trek je bloesje uit. Bloesje uit. Oelala. In de douche. Bloesje uit. En het volgende dat je je herinnerde was dat je over het steegje galoppeerde. Je hart in je keel. Vooruit. Vooruit. Over het pad. En dan sloop je heel stilletjes je kamer binnen. Dan trok je de dekens tot ver over je hoofd. Tot er een sterrenhemel ontwaakte, tolde boven je. En daarin verdronk je dan. Tot je alles vergeten was. Tot je ruggevel terug fluwelig zacht. Tot de gouden schaduwen sliepen. Tot het riedeltje zweeg op het einde van het pad.

Wij woonden als kind in een bos. Een sprookjesbos. Ma, pa en ik.

 

Arribada

Geplaatst op

Ik schreef een luistergedicht met de hoopvolle titel ‘Arribada’ waarin ik de chaotische indrukken van het hier en nu mix met mijmeringen over een andere, zachtere en misschien wel oorspronkelijkere wereld.

Ga zitten, neem een koffie en enjoy ❤

Muzzle Masks

Geplaatst op

The herd is bleached, muzzled and polarised.

Besmette Stad

Geplaatst op

Samen met Stokely Dichtman maakte ik de poëzie pop-up ‘De Ongeoorloofde Verplaatsing van de Music Hall’. Daarmee wonnen we de open call van deBuren waarin gevraagd werd om een hedendaags antwoord te geven op de dadaïstische poëziebundel ‘Bezette Stad’ van Paul van Ostaijen.

Gerjan Piksen componeerde vervolgens een unieke soundscape bij onze video. Dreigend doch lichtvoetig, onheilspellend doch speels. Het eindresultaat is een gelaagde, kritische en bij momenten Tim Burtoneske beleving van de maatschappelijke actualiteit.

Enjoy! Delen mag en is lief ❤

De Ongeoorloofde Verplaatsing van de Music Hall

20200616_233859

Sprookje: De Kapitein en de Zeegrietjes

Geplaatst op

Er was eens een eiland. Het bevond zich ergens in een maritiem niemandsland en het werd bewoond door een vreemdsoortig volkje. Eén keer per jaar vierde men er het feest van De Kapitein. Alle brave kinderen van het eiland kregen dan een zakje kwiekwies en zoute kapiteinsnoepjes. De Kapitein had een groot logboek. Daarin stond welke kinderen braaf geweest waren en welke niet. Stoute kinderen werden door de zeegrietjes, de hulpjes van De Kapitein, eerst een minuut lang met hun ondeugende hoofdjes onderwater geduwd en moesten dan met uitgestreken gezicht in een rauwe zee-egel bijten. De zeegrietjes vonden dat reuzeplezant. Ze dansten en huppelden dan blij en dwaas in het rond. Tot De Kapitein riep dat het welletjes geweest was. Iedereen op het eiland schuddebolde dan van het lachen. Wat waren die zeegrietjes toch grappig!

Het feest van De Kapitein was werkelijk de meest magische tijd van het jaar op het eiland. Het was een door iedereen op handen gedragen traditie die van generatie op generatie doorgegeven werd, hoewel er weinig consensus bestond over de precieze oorsprong van het feest.

eiland

De meeste stemmen riepen luid dat De Kapitein een edelmoedig zeeman geweest was die een hele reddingsvloot ontheemden uit zee gevist had en hen een eerlijke job aangeboden had. Die heimlozen waren in de loop der tijden veranderd in zeegrietjes door hun dieet van anemonen én doordat ze zich in curvy bochten moesten wringen als ze via het toilet in de huizen kropen om daar de kwiekwies en de kapiteinsnoepjes neer te leggen voor de brave kindertjes. Dat begreep het kleinste kind. Wie constant door toiletten kruipt, wordt curvy, blond en doldwaas. Waarom De Kapitein zelf geen gedaanteverwisseling ondergaan had, wist men eigenlijk niet. Misschien kroop hij niet door het toilet? Misschien deed één van de zeegrietjes gewoon de voordeur open met de sleutel? Misschien dat die zeegrietjes het geboortekanaal eerst zo uitholden en oprekten, dat hij er gewoon doorheen floepte zonder dat hij maar een wand raakte? Het zou kunnen. Men was het er niet over eens.

Er was echter ook een klein groepje eilanders dat beweerde dat De Kapitein de laatste overlevende geweest was van een schimmig piratenschip en dat de zeegrietjes in feite zeemeerminnen representeerden, die De Kapitein – in een laatste, wanhopige poging zijn schip te bestieren zonder bemanning – gevangen genomen had toen ze weerloos op een rots lagen te zonnebaden. De ronde welvingen, de lange blonde golven op hun hoofd en de nauwaansluitende pareljurkjes van de zeegrietjes herinnerden daar nog aan. Ze vonden het toiletverhaal totaal bij de haren gegrepen. Maar die groep was bevooroordeeld. Men beweerde dat het nazaten waren van een school meerminnen wiens rotsen te glibberig geworden waren en die hun toevlucht – ooit heel lang geleden – gezocht hadden op hun vruchtbare eiland. Of waren ze nu naar hun eiland getransporteerd om er goedkope eieren te leggen? Ook dat detail leek in nevelen gehuld. In elk geval: dat soort mensen ziet spoken! Beweerde men.

Ten slotte was er een derde, snel aanwassende groep die de hele rataplan van de mythe van De Kapitein – de toiletkronkels, de reddingsactie, de selectieve metamorfose – besprenkelde met een flinke snuf imaginair cultuurwortelspoeder en het sprookje bombardeerde tot het enige, échte ontstaansverhaal van hun eiland. De edelmoedigheid van De Kapitein sprak ook vandaag de dag nog uit de unieke aard van het eiland en zijn bewoners. En al wie daartegen was, mocht vertrekken! Zeker die belachelijke zeemeerminnazaten. Dat ze verdomme terug naar hun glibberrots gingen! En dan gooiden ze rotte kwiekwie-eieren naar de hoofden van de zeemeerminnazaten, luidkelend: Pak aan, Zeegriet! Lekker glibberig! Dat heb je graag, toch?! Hahahahahaahahahaha. Het was allemaal ook maar om te lachen natuurlijk.

En weet je, ach, het waren eigenlijk ook maar details. Details van een verhaal dat eigenlijk ook helemaal niet waar was. Het was gewoon een kinderfeest. Een leugentje om de stoute kinders onder de knoet te houden. En de brave kinders… nu ja, te bedotten met kado’s. Dat is toch wat volgroeide eilanders doen?! Of niet soms?

Inner Voice Whisperings

Wat mijn hart met je delen wil

WILD AT HEART FORAGING

De natuur als voorraadkast!

BURT'S DRAMA

Inspiration, Insight and Information for Drama Teachers

Patterns of Meaning

Exploring the patterns of meaning that shape our world

Hardnekkige melodietjes

Kirstin Vanlierde

Swiss Policy Research

Geopolitics and Media

Kirsten Zeemeermin

Artikelen, verhalen, gedichten, sprookjes en muziek

A Fetish For Poetry

we write the streets

Verwoede noten

Hoge noten, lage noten en alles daartussen

De Taalfluisteraar

Interessante, leuke, toffe en bijwijlen humoristische stukjes over taal

POETRY

| WRITTEN BY KRAGE

KunstVensters

online kunstmagazine

THE DREAM LIFE OF BALSO SNELL

over boeken en auteurs

second part of my life

Geluk volgt uit tevredenheid en tevredenheid is een keuze

In de stilte

berichten en brieven, notities, teksten en radio-werk, tekens van leven en sterven, aanwezigheid en afwezigheid, labo en latrine, liefde en leed.

De Laatste IJsschots

Muziek, taal, poëzie

Evy Van Eynde

Freelance theatermadam, schrijver, docent & creatieve duizendpoot

Woordzoeker vzw

Muzische, artistieke taaleducatie voor kinderen, jongeren en volwassenen

Het Ontstaan

Hoe de woorden zich bewegen en vorm worden

Roos van rijswijk

Schrijft, presenteert, interviewt, coacht en organiseert

Kim in de pen blogt

Belevenissen van een maandagskind

ben zo terug!

En toen was er...

Niels Hagen, een persoonlijk filosofisch weblog

Over: duurzaamheid, film, kunst, liefde, literatuur, muziek, politiek, sport en wetenschap

pazzidiparole.wordpress.com/

Ann Van Dessel - Erwin Steyaert - Hilde Pinnoo

Kunstflaneur.be

Flâner est une science, c'est la gastronomie de l'oeil. (Balzac)

Fotogedichten van Lenjef

Losse gedachten in woord en beeld gevangen ©

Figments of a DuTchess

not noble, just Dutch

LouTerLou, I'm telling you

blogs, columns, life

Loessoep

I'd rather be a verb than a noun

Goed Gezind

Terug naar de eenvoud

Kluger Hans

Online platform

Waar mijn pen ligt, ben ik thuis

Wherever I lay my pen, that's my home

KING BILLY's REPUBLIC

For whatever it's worth

Alowieke

Gewortelde nomade in Friesland

Stop Shop 2014

we stoppen de shopping waanzin (voor één jaar)

Jean Philip De Tender

everything is a story

Taaldacht

Mijmeringen over de aard en wortels van onze taal

sarahgoodreau

things and not things.

Door Suzanne

De beleving in al haar facetten

Opmerkelijke Manieren

mijn ervaringen als lid van Mensa

%d bloggers liken dit: