RSS Feed

Tagarchief: verhaal

Geertje, Sappho & Diane Vandeputte

Geplaatst op

Diane Vandeputte was een nieuwe moeder aan de schoolpoort. Snel vernam ik dat ze ook schrijver was. Toen zij op haar beurt leerde dat we beiden met de pen brood op de plank toveren, baande ze zich resoluut een weg doorheen mijn gesloten dampkring en stelde ze zich trots, doch innemend voor: Hee. Ik ben Diane. Vandeputte. Wellicht ben je bekend met mijn werk? Ik hoor dat je ook schrijft?

In gedachten schudde ik mijn schubbige vel terug op zijn plaats. Ik hapte naar asem en trok mijn ogen wijd open. Een aanval. Kennismaking, zegt men in de volksmond. Ik relativeerde mezelf. Zei dat ik sprookjes, kleutertoneeltjes en soms ook perverse ontmoetinkjes uit mijn pennen toverde. Met Geertje en zo. Diane knikte. Bewierookte zichzelf. Literaire, feministische opiniestukken en poëzie. Over Sappho en zo. Ik taste haar af met mijn ogen en voelde hoe alle letters in mijn hoofd koppig afdaalden naar de bodem van mijn buik. En hoe ze daar knorrige geluiden veroorzaakten, die doorheen mijn slok- en luchtpijpen op en neer bewogen. Mijn lijf, een orgel. Mijn hoofd, een basdrum. Mijn blik, crashend tussen de kiezelstenen onder mijn voeten.

Misschien moesten Geertje en Sappho maar eens koffie gaan drinken?

Ik keek rondom mij. Vroeg me af wie deze zin in de ether smeet. Diane knikte vriendelijk. Of het ook thee mocht zijn? Ze had geen idee hoezeer deze ogenschijnlijk onschuldige repliek de voorbode zou zijn van een heus fiasco.

De volgende dagen bracht ik de kinderen veel te vroeg en haalde ik hen veel te laat weer op van school opdat onze wegen zich niet meer zouden kruisen. Toch bleef de rendez-vous in mijn agenda staan. Ik had gehoopt dat de letters zouden vervagen, maar dat gebeurde niet. Integendeel. Ze dansten steeds zwoeler, steeds gevaarlijk dichter tegen de kantlijn. Tot ze zich als junikevers uit het papier tolden en steeds hoger vlogen tot ik ze wel slikken moest.

sappho

Ik duw de zware deur van het koffiehuis open en laat mijn blik voorzichtig over de oude vloertegels glijden. Van bloedspatten geen spoor. Enkel een slijmsliert. Een vreemde asbak in de vorm van een tiet trekt mijn aandacht. Koffie smaakt altijd beter in een waas van sigarettendamp. Ik duw de melkachtige substantie aan de kant en zie Diane zitten aan een tafeltje bij het raam. We knikken. Bestellen een koffie. En een thee. Onheil sluimert mijn bovenkamer binnen. Zie ze snuffelen, lacht de schrijfster terwijl ze met haar kin wijst naar Geertje en Sappho, die elkaar verderop aan een tafel aftasten. Er wordt geloerd, gesnoven en gefronst. Men komt dichterbij en trekt zich dan weer terug. Er wordt om hete brijen gedraaid, er wordt gestritst, territoria worden afgebakend en dan… dan stuift Geertje op. Haar stoel schiet naar achter, haar knokkels op tafel, haar smoel bedreigend dichtbij die van Sappho. Haar tanden bloot.

Ik moet je waarschuwen. Ik lijd aan amygdalafantoompijnen. Die boodschap wordt raar bekeken. Het gaat hier immers over een anachronisme maar ook dat bestond toen nog niet. Een anachronisme avant la lettre als je wilt. Schrijf daar maar eens een gedicht over! Of een feministisch opiniestuk!

Diane voelt Geertjes blik ook op háár gelaat en nipt zenuwachtig van haar thee. Thee! Voor losers, zeg ik. En ik zou het koekje misschien negeren. Fantoompijnen. Daar hadden we het over. Van de amygdala.

Hierdoor kan ik volledig rationeel en zonder druk om op sociaal gewenste wijze te reageren, in het leven staan. Feminisme dus. Ik huiver van het woord. Alsof we zelf controle zouden hebben over onze rol, onze status in de maatschappij. Dat is, lieverd, bi-o-lo-gisch allemaal voor ons geregeld. We hoeven dat niet uit te vinden of zo. We meanderen met de stroming mee. Je strijdt tegen vrouwen aan de haard? Ik ben het daar maar gedeeltelijk mee eens. Kijk, dametje, wij hebben het weliswaar voor het kiezen, maar dan… maar dan. Dan zit je natuurlijk met de gebakken peren. En dan kan je er maar voor zorgen dat je je zo goed mogelijk uit de slag trekt. Een extraatje nu en dan is mooi meegenomen. Een must? Misschien. Een plus? Alleszins. Ik hoef je dat niet uit te leggen in hedendaagse termen, daarvoor ben je te hellenistisch. Of prehistorisch. Of fabelachtig. Wie zal het zeggen. Of toch? Snap je het niet? Is je rationeel vermogen ondertussen zo grotesk dat je het eenvoudige niet meer begrijpt? Wat is er? Ben je bang dat ik je aanvallen zal? Dat doe jij al heel de tijd. Met je ellebogen doorheen mijn dampkring. Gelijk de prins in het doornenbos. Alleen wil ik niet gekust worden. Zie je niet dat ik al lang wakker ben?

Dianes ogen pingpongen van Geertje naar Sappho en dan weer terug naar mij. Haar thee is verdampt. Ze sabbelt al tien minuten op haar koekje dat nu in slijmerige slierten van haar mondhoeken naar haar kin glijdt.

Ik lach. Bied haar een servet aan. Ik begrijp deze conversatie beter dan wie ook.

In dat opzicht lijkt het mij voor vrouwen, moeders zeg maar, ideaal om een thuisjob te hebben. Nee, niet aan de haard, je hoeft niet zo lelijk te kijken. Ik zei: thuis-job. En in dat opzicht vind ik die webcam-dames héél erg intelligent. Biologisch intelligent. Snap je? Aangepast. Zij zogen hun kroost, verzamelen gouden vruchten en houden tegelijk het hol proper. Er hoeft niks opgeveegd te worden. Dat kan je over de andere zijde niet zeggen. Daar kan men na het swaffelen ook swifferen!

Ik lach. Diane kwijlt. Sappho heeft zich een tiet afgesneden en richt een pijl op Geertjes hoofd. Ik duw haar aan de kant. Amygdalaloos. Trut. Wat wil je? Diane komt er nu ook bij staan. Grist de pijl uit Sappho’s handen en steekt haar in haar sacoche. Dat ik niet wijs ben. Dat er stukken aan me zijn. Opiniestukken, denk ik. Ze schudt haar hoofd. En ook geen poëzie. En dan verdwijnt ze in een stofwolk van sociaal correcte ideeën. De tiet ligt verweesd op tafel. Een slijmerige sliert van koek en thee gonst over de vloer.

Zwart schaap

Geplaatst op

Onze dagelijkse wandelroute meandert vrolijk tussen koeien- en schapenweiden. Eentje herbergt een kudde verse lammetjes. Met zo’n twintig witte en precies één zwart schaapje. Het Letterkind plakt haar blik op de donkere pluisbol en laat haar ogen dan pingpongen tussen de witte krullenkopjes.

“Hoe komt dat, eigenlijk, mam? Dat er zo één zwart schaap tussen loopt?”

schapen

Mijn brein begint te tollen. Heel snel en heel stoffig. Tot mijn hersenen de pan uit zwieren en zo’n twintig jaar terug de tijd in vliegen. Ik zie mezelf aan de hoge lessenaar zitten in de les Natuurwetenschappen. Vooraan staat een mager ventje iets met handen en voeten uit te leggen: Meneer Rosius. Hij had de ondankbare taak om ook de niet-wetenschappelijke richtingen toch iéts bij te brengen over biologie, chemie en fysica. Het was niet aan ons besteed. Maar Meneer Rosius liet zich daardoor niet van de wijs brengen. Hij bundelde al zijn enthousiasme voor zijn vak in zijn pezige lijf en raasde hyper avant la lettre als hij was door de stof die hij ons desnoods eigenhandig de strot zou induwen.

“Schrijf op!” riep hij dan, hapte naar adem en vlamde de ene halve zin na de andere uit zijn mond en op ons blad. Meestal hield ik de interpunctie voor het laatst. Als alle stukjes zin op mijn papier stonden, strooide ik er wat komma’s, punten en vooral veel vraagtekens tussen en hoopte dan dat ik thuis alles met een magische spreuk zou kunnen ontraadselen.

Andere keren stond hij als een grijze tovenaar die tegelijk ook wat weg had van een wielrenner op een oude postkaart, met bunsenbranders te zwaaien of liet hij iets ontploffen (om ons wakker te schudden) of stond hij met zijn onrustige hoofd te schudden wanneer dezelfde jonge dame weer eens flauwviel nét voor een toets.

Van zijn lessen is me niet veel bij gebleven (het waaide gewoon keer op keer uit het raam in mijn bovenkamer) maar op één of andere manier herinner ik me wel nog hoe dat ene zwarte schaap in een witte kudde terecht komt. Toen ging het niet over schapen maar over erwtjes (geloof ik). En ze waren niet wit en zwart, maar groen en geel. En één van beide was dominant en de andere dus onderdanig (“Zeker, Meneer. Absoluut, Meneer. Komt in orde, Meneer!”). Om een lang verhaal, dat bovendien neergekribbeld staat in gebroken zinnen met veel vraagtekens in één of andere hersenkwab in mijn koekenpan, toch ietwat te kortwieken, zeg ik (terwijl ik mijn pauwenstaart openvouw) tegen het Letterkind:

“De boeren zetten altijd één zwart schaap in een witte kudde omdat dat onheil voorkomt. Meer moet je daar niet achter zoeken.”

Elise met schaapje

Knokenkooi

Geplaatst op

Weet je, zegt ze. Ik ben het oneens. Met wat, denk ik. Je bent het oneens met wat? Geertje? Ze schraapt haar keel, laat er zwarte koffie door glijden, kijkt me resoluut aan en begint dan aan haar verhaal.

Men beweert dat wij gemeenschapsdieren zijn. (Ik verwacht nu een fabel waarin ik in de kudde woon en waarin zij mij en de rest van mijn imbeciele graasroedel vanaf een hoger gelegen punt – een heuvel, een schuurtje op een berg, een boom op een rotsformatie – aanschouwt.) Die queeste naar gemeenschappelijkheid. Gemeenschappelijkheden. Dát. Ik ben het daarmee oneens.

Ik knik. Denk dat ik weet waarover ze spreekt. Jij bent liever uniek. Zeg ik. Jij, jij bent liever geen schaap. Is het niet, Geertje?

Ze verslikt zich. In haar hete koffie. Kijkt me aan alsof ze het hoort donderen in Keulen en ver daarbuiten. Herpakt zich. Denkt wellicht dat ik zo imbeciel geboren ben. Dat ik er niks aan kan doen.

Ik denk, zegt ze. Dat niet gemeenschappelijkheid, maar afzonderlijkheid onze meest fundamentele eigenschap is. Onze conditio sine qua non. Dat wij maar kunnen leven in die afzonderlijkheid, als in een kooitje. Waarvan de spijlen gemaakt zijn van knook, waarvan het glas doorzichtig vel is. Totaal afgezonderd van de wereld, als een museumobject, losgerukt uit zijn natuurlijke omgeving. Die wij ondertussen vergeten zijn. Is het de ruimte? Is het ergens één of ander hol, diep in de aarde? Is het in ons onderbewustzijn? Hoe ontheemd kun je zijn? Als je niet meer weet waar je vandaan komt? Enkel de afzonderlijkheid redt ons van de waanzin van de ons omringende chaos. Breek het kooitje en we versmelten in pure gemeenschappelijkheid met de wereld.

Dood, noemt men dat. Morsdood.

door het raam

Ik denk aan wolkenslierten. Aan het spel van licht en schaduw in mijn woonkamer. Aan water. Aan mazelen. Aan badschuim op mijn glas. Aan gekietel aan mijn spijlen. Aan melk in koffie. Aan al wat vervloeit.

En verdwijnt! Vult ze aan. Alles wat vervloeit én dus verdwijnt.

Kan je denken aan wat niet is? God. Opper ik. Fantoompijn.

We drinken onze koffie leeg. Staren. In de ruimte. Waar mijn gedachten versmelten met die van haar. Waar ze verdwijnen. In de leegte van onze gemeenschappelijkheid.

Helena Wolfsklauw

Geplaatst op

Ik werk sinds september aan een nieuw boek. De werktitel is voorlopig “Helena Wolfsklauw. De stem van een wandelend eiland”

Reeds 25000 woorden plakte ik op het scherm, reeds 10 hoofdstukken voelen zich thuis in mijn verhaal.

Het hoofdstuk waarin we voor het eerst kennismaken met Helena’s voorgeschiedenis, begint uiterst poëtisch. Omdat het prima als een afgerond stukje poëzie gelezen kan worden, vond ik het wel geschikt als eerste teaser. Enjoy!

wolfsporen
Een spoor van telkens twee grote, langzame met daartussen twee kleine, snelle voetafdrukken groeit uit het bospad. Erboven danst de schaduw van een kleine roedel, een jong gezin. Vader, moeder en kind. De gitzwarte bosaarde wasemt hopen rode mieren uit. Zweetdruppels glijden langs varens omlaag.

De schaduw vertraagt en trappelt ten slotte ter plekke. De vadersilouet veegt een donkere vlam van zijn voorhoofd. De moeder haalt een petje uit haar buidel en plakt het op het hoofd van het kind. Het is tijd om even te rusten. Door de hitte dreigt de schaduw te smelten. Wat overblijft, in zo’n geval, is een doodlopend spoor.

Terwijl de grote schimmen opgaan in de reusachtige olievlek van een oude eik, krimpt het kind tot tegen de bodem. Daar groeien twee extra poten uit de kleine gestalte. Zo sluipt het kinddiertje op vier poten over het zonovergoten pad. Het zigzagt. Van de ene struik naar de andere. Soms draait het zich om, lijkt boodschappen van de eiken olievlek uit de lucht te likken en maakt dan rechtsomkeer. Tot nét voor de olievlek. Daar blijft het diertje staan. Op zijn vier poten. Het doet een dansje en keert zich opnieuw om. Zo kruipt het telkens een beetje verder van de olievlek vandaan, tot er ineens geen boodschappen meer te likken zijn. De olievlek zwijgt. Het kinddiertje kan nu vrij kruipen, spelen, groeien en terug krimpen, likken aan varens en eikels opeten.

Het spoor is nu veranderd in zich herhalende patronen van twee voor- en twee achterpootjes. Soms is het rechtlijnig, soms twijfelend, soms verdwijnt het even tussen de struiken. Om even later terug op het bospad te verschijnen. Het had een oneindig spoor kunnen zijn, maar het toeval besloot daar anders over (tenminste, als je daarin gelooft…).

Ineens stuit het spoor immers op een diepe voetafdruk, een deel van een ander sporenpatroon. Het sjabloon van dit spoor wordt gevormd door vier identieke voetstempels van telkens een groot zoolkussen met daarboven vier scherpgeklauwde tenen.

Het silhouet van het kinddiertje staat al even stil en bekijkt het nieuwe spoor aandachtig. De geklauwde voetafdrukken zijn zo diep dat het regenwater van de vorige nacht erin is blijven staan. Zo ontvouwt er zich een parcours van verdampende bosplassen die je zouden kunnen doen denken aan zwetende geisers, maar dat kent het kind niet. Het kind kent wel dorst. En het weet dat je dan best drinken kan. Dus het laat zijn silouetlijfje zakken, zet zijn voorste pootjes rondom de eerste geklauwde voetafdruk, zet zijn lippen aan het zwetende water en drinkt zijn buikje vol.

Onmiddellijk zakt het kinddiertje door de poten. Dan versmelt ook het buikje met de bodem en ten slotte legt het kinddiertje ook zijn kop neer. De schaduw krijgt een laatste stuiptrekking en wordt dan één met het bospad.

In de verte roept de eiken olievlek. Eerst lijkt het op gewauwel, dan hoor je steeds duidelijker menselijke klanken die versmelten tot een naam:

Helena! Helena!”

De vader en de moedersilouet komen uit de olievlek gelopen. Banen zich een weg over het spoor van het kinddiertje, blijven staan bij de geklauwde voetafdruk, zien dat deze is leeggedronken en graven het silhouet van het kinddiertje uit het bospad. De vader neemt het diertje in zijn armen en begint te lopen. De moeder schreeuwt het uit terwijl ze in de voetsporen treedt van de razende schaduw voor haar. De duistere storm die over het bospad stuift.

Geertjes kerstwens

Geplaatst op
Geertjes kerstwens

Een dag voor Kerstmis had ze eraan gedacht om een schuimende cappuccino te bestellen. Een heerlijke feestgedachte waarvan je geen uitputtingsverschijnselen zou vertonen. Vervolgens bestelde ze een normale koffie. Zwart. Zonder suiker.

Ik besloot de rendez-vous met open armen te ontsluiten.

Wat mag jouw kerstwens zijn, dit jaar? Vraag ik tegen wil en dank. Ze kijkt me ongelovig aan. Echt? Of ik dat echt weten wil? Ik knik zo onnozel als ik maar kan. Mijn neus bloedt. En druppelt rode kersen op het taartje dat we voor de gelegenheid bij de koffie kregen. Ik zou er niet in durven bijten. De gedachte alleen aan haar afkeurende blik, haar teleurgestelde zucht zou mijn ledematen controleren als een visdraadje de marionet.

Ze neemt een slok en kucht een eenzame kikker weg.

Ik wens. Zegt ze. Meer oorspronkelijkheid. Ik wens dat men alle boeken op de brandstapel gooien zou. Op een aantal uitzonderlijke meesterwerken na. De enige boeken die ertoe doen. 1984. George Orwell. Als een glazen bol. Waarin iedereen kijken mag. Met het risico dat je ogen ontploffen als je het onoverkomelijke niet dragen kan. Je zou in dat geval een sprookjesboek kunnen lezen. Maar die liggen op de stapel. Lagen op de stapel. Zijn nu een vlokje as. Vervolgens: Het volledige oeuvre van Vladimir Nabokov. Omdat je enkel mooi denken kunt in mooie taal. Denken is taal. Je stelt je de vraag waarom de jonge garde enkel in slogans en ongenuanceerde stellingen denken kan? Omdat die jonge lui enkel kort en bondige taal lezen en schrijven. Twitter. Emoticons. T-shirts. Sms. En ook wel: video’s. In een notendop: Krachtkreten, Symbolen & Performance. Oewoewoewoewoe, Totems & Dromen van Sjamanen. Je waant je in een Indiaanse stam.

Ik kuch. Ze heeft het gezien. Nu moet ik kleur bekennen. Ze knikt met haar kin. Wat? Welke onzinnige gedachte kleeft er op je voorhoofd? Ik zeg dat het Native Americans zijn. Echt? Ik haal mijn schouders op. Denken is taal. Denk ik. Ik denk in lange tenen. Ik denk in kwetsbaarheden. Gevoelige zielen. Ik denk dat het Kerstmis is. En dat iedereen vandaag vrede verdient. Syrië. Mensen zonder huis. Mensen zonder familie. Kinderen. Alleen in een tentenkamp. Godverdomme. Dat denk ik, Geertje!

Ze haalt haar schouders op. Zegt dat zij steeds het grotere plaatje bekijkt. En dat haar uitzonderlijke stapel nog een kers verdient. Als een blinkende, rode druppel. Tongkat. Peter Verhelst. Omdat alles altijd tegelijk gebeurt. Omdat letters en cijfers inwisselbaar zijn. Omwille van de schoonheid ook. Weeral. Echte liefde is schoonheid. Van chaos die culmineert in nieuwe ordes. Die dan weer zichzelf onderuit halen. Chaos veroorzaken. Zoals het ook ons vergaat. Altijd weer opnieuw.

En voorts mag je elk verhaal zelf bedenken. Dat wens ik de mensheid toe. Oorspronkelijke gedachten. Dat zullen er maar een handjevol zijn. In heel je leven. Dat is méér dan het heen en weer gewauwel dat je nu produceert. Zinnen die voor eeuwig onaf zijn. Die steeds weer komma’s achter zich opgooien. Gelijk een mol. Gestuwd door het gegraaf achter zich. Blind voor wat komen gaat. Een stroomstoot. Doodslag met de schop. Kwijlende tuintijgers. Onnozel hopend. Ophopend. Een volgende, weerzinwekkende, betekenisloze bijzin. Achter de komma. Hoop na hoop. Want dat doet leven. Zegt men. Onzin. Uitstel van executie. Hoe blij word jij van molshopen in je tuin? Jij doét niet anders. Virtuele hoop na virtuele hoop uitbraken. Lang leve de hoop. Lang leve Kerstmis. Lang leve de onnozele kinderen. Lang leve de herkauwende massa.

Ik kijk haar beduusd aan. Wat is dat voor een kerstwens?

Ze knikt. Zegt dat ze het snapt. Wensen behoeven een ritueel. Ze maakt klauwen van haar vingers. Gritselt al haar woorden tot een wolk bij elkaar. Knoopt er een strik rond. Van Geertje voor mij. Zalig Kerstfeest.

Het prinsje, De Stroman en ik

Geplaatst op

Sluit je ogen. Ik ga een sprookje vertellen. Er was eens…

… een prinsje. In een parelmoeren baldakijn wordt hij naar binnen gedragen. Zwevend, als Aladdin op zijn mat, nadert hij het symfonische trio aan het hoogaltaar. Bouzouki, keys & gezang op stiletto’s. In een magische cirkel van tenen manden. Het gesis, oorverdovend. Bezwerend. Opzwepend. Applaus zwelt aan waar de troonhemel voorbij schrijdt.

De moeder van het prinsje, als een bruid. De zussen, als haar gevolg. Broers, fier in kostuum. Op de drempel van viriliteit. Vader, aanschouwend. Aan de mannenzijde bij de toog. Tantes, nichten, buurvrouwen: glimmend, schitterend met plastic parels en nepzijden japonnen. Wapperende manen in strakke, blinkende soulwaxgolven. Of ingewikkeld. In klatergouden voiles. Satijnen sluiers. Als een toren op hun hoofd. Tiara’s op stiletto’s. Dansend voor het altaar. In een kring van ingewijden. Glimlachend. Schitterlachend. Sprankellachend. De oma’s, sober. Berustend. Ingekapseld aan het tafeleinde. Kinderen, samentroepend. Minimoedertjes slepen de kleintjes mee, drogen reeds tranen, schudden een stuk kind van zich af. Minimannen klimmen en dalen in een nog niet volledig uitgekristalliseerde hiërarchie. Maar vandaag is het prinsje alfaman. Vandaag zwaait hij zijn degen. Vandaag strooien wij rozenblaadjes voor zijn schitterende voeten.

Heel even, ben ik ook wij. Als ik goed kijk, slurp, proef. Duik ik er met lijf en leden in. Heel even maar want ik zit op het onzichtbare bankje. De kijktribune achter glas. Wat gebeurt er in deze parallelle dimensie? Welke wetten gelden hier? Kan ik het wachtwoord krijgen? Vereist dat een offer? Hoeveel bloed wil ik vergieten voor een introductie? Een nieuwe identiteit? Dobbelende grotmannen. Maffiaclans. Bekokstovende bokkenrijders. Steigerende amazones. Passeren in die volgorde mijn hersenpan.

Aan mijn zijde: andere niet- & clandestien genodigden. Curieuzeneuzen. Voyeurs. De Stroman. Hij aait zijn baard. Draait er een staartje aan. Suikerspin voor de kindjes. Je moet iets doen om ze zoet te houden. Ben jij niet onzichtbaar? Vraag ik. Ben jij niet louter idee? Moeten mijn ogen niet ontploffen nu ik jou aanschouwd heb? De Stroman lacht. Spiegelglas, meisje. Zien zonder gezien te worden. Snap je het nu? Zie ze dansen! Als clowns. Als ontmaskerde Farizeeërs. In een line-up. Wie zal ik eruit halen? Ze lijken allemaal zo op elkaar. Vind je ook niet? Ik knik. Dat is omdat het andere, het vreemde altijd baadt in een vage waas. Individuele trekken verdwijnen. Stereotype kenmerken komen in de plaats. Het plaatje lijkt te kloppen, maar is zo kunstmatig, zo plastic als Bertrand. Die kent de Stroman niet. Hij zweeft tussen culturen. Hij hoort overal en nergens thuis. Hij is een schim. Een zoethoudertje voor de kinderen. Zegt hij. Och, alles went.

Iemand brengt ons baklava. Met pistachenootjes. We eten en likken onze onzichtbare vingers af. Wasemen onze onzichtbare gedachten tegen de spiegel. Tekenen er een hartje in. Krassen onze initialen in het glas. Op een afstand. Lichtjaren verwijderd van de grot. Achter de spiegel. Treffen wij elkaar. Wie had dat ooit gedacht? Ik niet alleszins. Maar ik doe er niet toe. En hij doet er niet toe. Wij zijn lijdend voorwerp in deze zin. In dit verhaal. Wij denken niet, wij worden gedacht. Wij scheppen niet, wij worden geschapen.

Kijk eens achter je, zegt de Stroman. Daar zitten wij. Achterom kijkend. Naar onszelf. Achterom kijkend. Naar onszelf. Achterom kijkend. Naar onszelf. Een eindeloos landschap van spiegelende herinneringen. Kom, laat ons dansen! Roept de Stroman. Laat ons dansen alsof niemand ons ziet! Laat ons kussen! Ja, dat ook! Laat ons vrijen onder een blote sterrenhemel! Laat ons vrij zijn!

Zien zonder gezien te worden. Zegt iemand op de kijktribune. Zie ze dansen. Als clowns. Als ontmaskerde Farizeeërs. In een line-up. Wie zal ik eruit halen? Ze lijken allemaal zo op elkaar.

Denken aan al wat is

Geplaatst op

Ik doe de deur van ons stamcafé open en zie haar al zitten. Je mag zeggen over haar wat je wilt, op tijd komen doet ze. Altijd. Liever nog is ze te vroeg. Controle. De touwtjes in handen. Dat soort dingen.

Ik weet dat zij mij ook ziet. In haar rechterooghoek. Maar opkijken doet ze niet. Ze lepelt haar koffie om en om. Alsof ze haar hersenpan omroert. Ideeën losweekt van de bodem. De smaakmakers van elk verhaal.

Nog voor ik plaatsgenomen heb, schuift ze een boek naar me toe: Denken over al wat is. Tussen de ‘wat’ en de ‘is’ heeft ze in zwarte drukletters ‘NIET’ gepropt: Denken over al wat NIET is, staat er nu.

Is dat niet precies wat we doen? Een retorische vraag. Ik kan maar beter knikken. Al weet ik het nog zo niet. Ik weet niks. Dat weet ik ondertussen. Zij nipt aan haar koffie en vervolgt haar monoloog. Zonder me aan te kijken. Lepelend. Weet je wat wij zijn? Wij zijn kunstenaars, makers, wij vervormen de wereld rondom ons, wij geloven in het onmogelijke, het onbestaande, wij hebben lak aan al wat is, wij willen iets meer, iets waarvan en waar doorheen ons bloed stroomt. Iets wat nog niet bestaat en dat altijd al heeft gedaan. Niks is onmogelijk. Een laagje lak op niks en het is iets. Wij vinden dat het iets is. Dat het iets betekent. Dat het de moeite waard is. Iets om voor te leven en te sterven. De heilige graal. Nondedju. Daar denken wij over, schat. Over niks.

Wat hou ik van haar. Ik slurp van elk woord dat uit haar mond dwarrelt. Fladdert. En met een smak valt op de ijskoude vloer. Het woord dat zin wordt. Sowieso. Waar heeft ze het in gods naam over? Het kan me niks schelen. Poëzie moet je drinken. Of rechtstreeks in het bloed.

Het ergerlijke aan heel die kwestie – ze kijkt me nu strak aan – is dat we:

1) dat een bijzondere gave vinden (de Maker is groot!)
2) aureolen kleven boven deze lagen lak (blijf met je fikken van mijn Sprookje!)
3) niet beseffen dat we dit constant doen (geloof jij nog in Sprookjes?)

Constant. Niet enkel in het keramiekatelier. Wij beduvelen onszelf dag in, dag uit met maakseltjes. Laagjes lak. Lucht. Gebakken als het kan. Omdat we dat waard zijn. Wij verdienen een hemel, een dak boven het hoofd van wat is. Wij verdienen tempels en goden. Wij verdienen troost. Schoonheid. Een sprookjesleven. Met tentakels tussen lang geleden en ooit ver weg. Daarover koorddansen wij. Balancerend. Over ingebeelde spinnenwebben. Zijden draadjes. En terwijl we daar staan. Met de diepte onder ons en geen baldakijn, geen wolk om ons aan vast te grijpen, nemen wij ons sabel en we meppen. We meppen alle andere elfen, kabouters, kruisvaarders die ons de weg versperren, neer. Want wij zijn godverdomme op weg. Naar alles wat niet is.

Er was eens – ze beglimlacht me breed – een man die neerpende dat de zonsondergang is zoals het laatste vers van een gedicht. Een filosofische, universele samenvatting van de dag. En hij pende dat zo verschrikkelijk poëtisch – profetisch bijna en ook wel met een tikkeltje romantiek in zijn stem – neer dat iedereen hem geloofde. En de zonsondergang werd vers en de dag poëzie. En wij geloven dat. Het gebeurt immers voor onze ogen. In onze buik knettert die waarheid met een onweerstaanbare, ondraaglijke leegte.

Omdat het lak is. Liefje. Lak waaraan wij ons denken, onze spierkracht, onze liefde verspillen. Drup, drup, drup. Liters bloed, zweet en tranen. Voel je ze uit je poriën kruipen? Want ook jouw creatie is heilig. Plak er een gouden nimbus boven. Een verblindende stralenkrans. Een aureool. Zodat je niks meer ziet. Want daar buiten is het koud en gevaarlijk. Daar buiten heerst chaos en willekeur. Daar buiten zijn wij overgeleverd aan de meedogenloze tijdloosheid van al wat is.

Ze slurpt haar koffie in één teug naar binnen. Schudt met haar hoofd en met haar schouders. Slikt. Staart een antwoord uit mijn strot. Vind je ook niet?

biebklein

Woordzoeker vzw

Muzische, artistieke taaleducatie voor kinderen, jongeren en volwassenen

Het Ontstaan

Hoe de woorden zich bewegen en vorm worden

Kim in de pen blogt

Belevenissen van een maandagskind

ben zo terug!

En toen was er...

Niels Hagen, een persoonlijk filosofisch weblog

Over: duurzaamheid, film, kunst, liefde, literatuur, muziek, politiek, sport en wetenschap

Rolf van der Leest

Gebundelde karakters als proviand voor de geest

gedacht & gedicht

en soms wat meer gedicht dan gedacht

pazzidiparole.wordpress.com/

Ann Van Dessel - Daniel Billiet - Erwin Steyaert - Hilde Pinnoo

Lettergoesting

Over kunst en letters en hun plaats in mijn leven

Fotogedichten van Lenjef

Losse gedachten in woord en beeld gevangen ©

Places Unknown

Dmitrii Lezine's Places Unknown is fine art and travel photography from around the world. Enjoy!

Figments of a DuTchess

not noble, just Dutch

Jonas Bruyneel

Literatuur/Journalistiek/Muziek

LouTerLou, I'm telling you

blogs, columns, life

Loessoep

I'd rather be a verb than a noun

Margo Hermans

Blog what you live; don't live to blog.

Lettersmid

Vindt (de) zin

Goed Gezind

Terug naar de eenvoud

Kluger Hans

Online platform

Waar mijn pen ligt, ben ik thuis

Wherever I lay my pen, that's my home

KING BILLY's REPUBLIC

For whatever it's worth

ilcavallobianco

corri, corri mezza prato

Alowieke

Ik kijk en ik creëer

Stop Shop 2014

we stoppen de shopping waanzin (voor één jaar)

Land van Eden

Of hoe we anders kunnen leven en denken.

Jean Philip De Tender

alles is een verhaal

kribbels uit mijn leven

een kijk in mijn gedachten en de gebeurtenissen uit mijn dagelijks leven, heel gewone dingen, misschien ook wel heel bijzondere......

Taaldacht

Mijmeringen over de aard en wortels van onze taal

Take This Now

Don't let yesterday use up too much of today

Juliecafmeyer's Blog

Just another WordPress.com site

sarahgoodreau

things and not things.

Door Suzanne

De beleving in al haar facetten

Opmerkelijke Manieren

mijn ervaringen als lid van Mensa

akim a.j. willems

pssst...het menu van deze site vind je dààr in het hoekje = = = = = = = = = > > > >

Groove Garden

Adriaan Kuipers

Spiegelingen

Mijn wereld in spiegelbeeld

Kaat Kladdert

Kaat kladdert erop los

Ketogeen... en... Wat ?

Zelfexperiment van ketogeen..... eten ! En ? Hé ? Ja dat !

Leen Huet

Leen Huets blog

Tom Driesen

En als je me niet gelooft dan maak ik je iets mooiers wijs

%d bloggers liken dit: