RSS feed

Auteursarchief: Evy Van Eynde

Muiterij

Geplaatst op

Ineens stond ze voor mijn deur (en als ik zeg ineens, dan bedoel ik daadwerkelijk plotsklaps, als een donderslag bij heldere hemel, maar ook weer niet helemaal want we zouden ons treffen maar ik voelde me niet zo lekker en stuurde dan maar een berichtje dat ik er niet geraken zou…). Ik kon haar alleen maar aangapen. Zij stond daar als een uit zijn context gesnaaide oneliner. Verdoemd misbegrepen…

Ze duwt mij aan de kant, loopt instinctief naar de keuken (koffiegeur), trekt een stoel onder de tafel uit en plant zich neer in mijn huis. Zo. Zegt ze. Je voelt je niet zo lekker? Ik haal mijn schouders op. Zeg dat ik een dipje heb. Zeg dat ik elk moment in een depressie sukkelen kan. Geertje zucht.

Weet je, zegt ze. Het probleem is niet dat jij je ongelukkig voelt. Het probleem is dat je denkt dat dat een probleem is. Het probleem is dat jij (en met jou zowat de hele maatschappij) denkt dat ongelukkig zijn een aandoening is. Een abnormaliteit. Die zo snel mogelijk uit de weg geruimd moet worden. Want wie wil er nu abnormaal zijn?

Ik wil niet abnormaal zijn, maar wellicht was het een retorische vraag, dus ik zwijg.

Meer zelfs, vervolgt ze haar monoloog, ik denk dat wij mensen fundamenteel ongelukkig zijn. Dat precies de miscontente conditie van ons mensen maakt. Immers, wat onderscheidt ons van andere primaten?

Ze wacht op een antwoord. Geen retorische vraag. Ik weet het niet. Ik haal opnieuw mijn schouders op. Ik ben terug een klein meisje in het eerste leerjaar dat niks weet en niks kan.

Geertje haalt haar regel boven. Duwt hem onder mijn neus. Wij, dametje, wij zijn scheppers! Wij maken dingen. Wij creëren nieuwe werelden. Wij begoochelen elkaar en onszelf. Wij zijn de goden in dit schouwspel. En wat, denk je, triggert ons om dat te doen? Waar halen wij de energie om steeds maar weer iets nieuws te bedenken? Om telkens opnieuw de bestaande dingen omver te werpen en helemaal opnieuw te willen beginnen bouwen? Wat zet ons aan tot muiterij?

Ik gaap haar aan. Zo onnozel als ik kan.

Ze springt op tafel en zwiert hevig met de regel boven haar hoofd, alsof ze bliksem en donder uit het onbestaande wolkendek wil lospeuteren.

Dag 6 - Held

Wij creëren omdat we miscontent zijn! Depressief. Ongelukkig. We dobberen als het ware in een kliederboel van ontevredenheid. Steeds dieper. Steeds lamlendiger. Tot we bijna kopje onder gaan. Tot we inzien dat onze huidige situatie uitzichtloos is en dat we hoogdringend – het allerhoogst – een staatsgreep moeten plegen en een nieuwe orde, een nieuwe wereld MOETEN uitvinden. Dát, dametje, is onze conditio sine qua non.

Wees dus, godverdomme, content dat je miscontent bent! Al die blije, onnozele mensen, het zijn primaten, niet meer dan dat! Wees tevreden dat je niet tevreden bent. Dat er een fundamenteel menselijke kracht in je borrelt! Godverdomme!

Ze springt van tafel. Slaat me rond mijn oren. Vloekt zeven rozenkransen bijeen. Smijt een doosje antidepressiva met een smak in de vuilbak. Weg ermee! Ze willen apen van ons maken! Snap je het niet?! Wat gebeurt er met een gorilla wiens alfarol uitgespeeld is?

Ik weet het niet, Geertje. Ik weet van niks.

Zijn serotoninegehalte stuikt ineen. Opdat hij gehoorzaam en gedwee zou zijn. En blij. Tevreden met zijn onderdanige plek, ergens beneden op de sociale ladder. Gewillig om de nieuwe alfa-aaps voeten te kussen, ballen te likken, op handen en voeten. Godverdomme! Alfa-aap is groot! We houden van Alfa-aap! Alfa-aap is groot! En hij doet gewillig en compleet tevreden en content, mee! Hij dicteert niet langer. Hij creëert niet langer. Hij is gedwee. Blij. Onnozel. Godverdomme!

En jij ‘geraakt er niet vandaag’ omdat je een dip hebt? Ik zou je ogen uit je kop willen rukken!

Hijgend staat ze voor mij. Ik sla mijn ogen neer. Ze heeft gelijk. Denk ik. Wat weet ik nu? Niks.

Zij veegt de zweetspatten van haar voorhoofd en het slijm van haar bek. Zo. Zegt ze. Is er koffie?

Advertenties

Tussen de dingen

Geplaatst op

Ik hoef niet op handen en voeten dankbaar te zijn
of strompelend door de woestijn berouwvol.
Stappen moet ik onomwonden
kijken moet ik, aandachtig zijn.

De wereld biedt zich aan, legt zich zomaar neer
zodat ik haar herschikken kan,
haar kan kneden in mijn handen
terwijl zij voortkabbelt
of juist wild en bruut
mijn plaats aanwijst.

Ik hoef niet goed te zijn om mij daar te nestelen
onvoorwaardelijk tussen de dingen in haar schoot.

20170729_153953

Geitenneukers & Kaaskoppen

Geplaatst op

Kleuters radicaliseren. En de mediabom ontploft. Weeral. In alle kleuren, hoog boven onze hoofden. In de lucht. Kijk daar! En daar! Piew, piew, piew… Boem! Ohhhh, zo schoon! Ik verdenk al die aanstokers ervan lucht uit hun duim te zuigen. Om die vervolgens te drenken in linkse of rechtse verf. Opdat hun spatjes in de juiste schapenweide zouden terecht komen. De kudde kan dan op gepaste wijze blaten tot je er horendol van wordt. Zonder dat er iemand ooit een geradicaliseerde kleuter gezien of gehoord heeft. Maar tegen dan bestaat ie al. De wereld krioelt ervan. Ondertussen.

Ik werk al verschillende jaren met kinderen. Ik geef theaterlessen en muzische taalvorming. Mijn klasjes zijn uitermate divers. In de provincie werk ik vaak met verwende scheten. Kinderen van tweeverdieners. Met grote huizen en veel elektronische surrogaataandachtsapparaten. In de mijnstreek krioelt het van Turkse en Marokkaanse kindjes in mijn klas. Met derdegeneratiemama’s waarvan er te veel naar mijn goesting geen deftige Nederlandse zin uitgesproken krijgen. In de hoofdstad werk ik met regenboogklasjes. Van alles wat. En ja. Daar hoor ik de verhalen die men de geradicaliseerde kleuters toeschrijft, ook. Joden zijn apen. Christenen zijn varkens. Vrouwen zijn hoeren.

Ik kijk daarnaar met drakenvliegogen. Dat maakt het moeilijk om één samenhangend beeld te vormen. Ik zie facetten. Deelverzamelingen. Losse pigmenten en net geboren lichtjes waarvan je twijfelt of je die nu net zelf verzonnen hebt. Laat mij dus één aspect van dit veelkleurige verhaal met u delen.

Ik heb het geluk gehad om op te groeien in de suburbs van de arbeidersstad Genk. Ik ging er naar school en smeedde er vriendschappen, ik heb er veel aan de toog gehangen en ik zat nog op het muurtje aan de fonteintje. Ik zat op het Atheneum, in een regenboogklas. Geitenneukers, kaaskoppen, bleekscheten, makakken, itakken, spleetogen, spaghettivreters, negers en rossekoppen. Maar op het einde van de dag waren we allemaal beejaloo’s.

Humor. Dat was het. Wat nu als een belediging aanschouwd wordt, dat was toen humor. Waar je nu een proces voor aan je broek kunt krijgen, dat was toen humor. Waar je nu – in verre vreemde landen – voor in de bak kunt vliegen, dat was toen humor. Wat nu als geradicaliseerd gedrag bestempeld wordt, dat was toen humor. We smeten vuilbekkerij naar elkaars hoofden, als was het een sneeuwballengevecht. Je had er die snel en vakkundig dikke, perfect gemodelleerde ballen smeten. Je had erbij die wat smurriesneeuw van de grond schraapten en dat zooitje in je nek smeerden. Je had de losers die altijd mis gooiden. Je had de broekschijters die zich bang achter het muurtje verscholen of wegketsten terwijl ze op hun mama riepen.

Men stelt zich soms de vraag wanneer men grappen maken kan om een beladen situatie. Wanneer is het te vroeg om met iets te lachen? Hoeveel generaties moeten er opnieuw voorbij gaan vooraleer we mogen lachen met de diversiteit in onze maatschappij? Want het lijkt erop dat we ondertussen allemaal in het schijtluizenhoekje staan. Achter één of andere antidiscriminatiejufs rok. Beschermd tegen sneeuwballen. Uit het zicht. Onherkenbaar. Onbereikbaar. In een glazen stulpje. Waar je het moet doen met kunstsneeuwvlokken. Kom, schud jezelf nog eens op. Door elkaar. Het is hier zo steriel.

sneeuwbol

In het midden van de speelplaats staat een lange, feestelijk gedekte dis. Vleesspiesen liggen op de barbecue. Wijn wordt geschonken. Muziek weergalmt. Mensen dansen en eten. Praten met elkaar. Lachen. Hier en daar kruisen voorzichtig verliefde ogen. Onder de tafel zitten vier kleuters.

– Jij bent aap.
– En jij bent zwijn.
– Bah! Zwijnen!
– Zwijg uw lip!
– Zet jij sjaal rond uw kop!
– Schei uit! Ga geit neuken, gij!
– Mi… uw vader is een aap!!
– Uw moeder zijne!
– Uw zuster zijne!!!!
– Schop u van hier!!!!!
– Beejaloo!!!!!
– Tsssss….!!!!!!

Ik wil niet oproepen tot iets. Maar misschien moeten we mee aanschuiven. Misschien moeten we glimlachen omdat we zien hoe onze kleuters onder tafel sneeuwballen gooien. Sneeuwballen die we thuis in de diepvriezer bewaren en die we heel af en toe, omwille van de nostalgische waarde, omwille van een stiekeme heimwee naar eenvoudigere tijden, opgooien. Sneeuwballen die dan opgevist worden door onze kinderen en die dan onder tafel naar elkaar gesmeten worden. Als een spel. Een kennismakingsspel. Na zoveel generaties. Mag er misschien terug gelachen worden.

Misschien ook niet. Weet ik veel. Ik ben maar een beejaloo.

Little Light

Geplaatst op

treurwilg

Ingrediënten

  • Een handjevol tekeningen
  • Een gedicht
  • Vier piano-akoorden

Stappenplan

  • Plak alles op elkaar
  • Klaar
  • Enjoy!

Mandarijn met pitjes

Geplaatst op

Kleine kindjes worden groot. Dat geldt ook voor Letterkinderen. Eerst zijn ze klein en voor je het weet zijn ze KLEIN. Groot. GROOT. Nee, nu overdrijf ik. Groot is zeker voldoende en soms ook KLEIN. En die KLEINE Letterkindjes moeten dan de GROTE LIJNBUS nemen om naar de GROTE SCHOOL te gaan.

Helena

Ik vond dus dat de tijd rijp was om dit misschien eens een keertje te oefenen. Het Letterkind houdt niet van oefenen. Het Letterkind schept genoegen in de vaardigheden die 1) aangeboren zijn 2) met de geringst mogelijke toevoeging van haar hoogstpersoonlijke, autodidactische toverpoeder tot leven gewekt kunnen worden. Al de rest zijn overbodige kwaliteiten.

Er is nog iets wat je moet weten over het Letterkind. Taken en instructies (zoals daar zijn: kamer opruimen, tafel dekken, huiswerk maken en dus ook: de bus nemen) dienen geschild te worden en vervolgens verdeeld in kleine, overzichtelijke partjes. Als je dat niet doet, veranderen die taken en instructies in roze, voorbijglijdende wolken waar je vanop je bed naar tuurt, van waarop je meereizen kan naar één of andere sprookjeswereld, die je omtovert in pluizige schuimbellen of waarin je gewoon ver-dwijnt.

ziek meisje

Ik begon dus vakkundig met het schillen en het verdelen in partjes (pitjes liet ik zitten, je wil hen ook niet té zeer bepamperen): Je fietst naar de bushalte (Welke bushalte? De Rijksweg, waar is dat? Nooit van gehoord), je sluit daar je fiets (Weet jij mijn slotcode nog, mam?), je wacht tot er een bus komt, als het een 45 of een 61 is, dan stap je op, je laat je abonnement zien, je kijkt uit het raam tot je moet bellen (Bellen? Op de blauwe knop? Wanneer moet ik bellen? Aan het marktplein in Groteschoolstad? Waar is dat? Is dat hier? Daar? Mijn god, ik heb zó dringend een telefoon nodig, mam! Wist je dat er een app bestaat die zegt wanneer je moet bellen? Dat heb ik nodig! Mam!)… – zucht –  je stapt uit, je steekt het marktplein over, je loopt de Groteschoolstraat in en je gaat naar school. Slik. Het Letterkind moet overgeven. Te veel mandarijnen met pitjes, zegt ze. Ik knik. We gaan op pad!

We fietsen onze straat uit, richting bushalte – partje voor partje – , we parkeren onze metalen rossen en we stappen op, op een 45. Het Letterkind heeft grote, waterige ogen. Ze legt haar hoofdje tegen het raam. Alle huizen veranderen in suikerspinnen. De straat wordt een melkweg. Gedoofde straatverlichting knipt aan en tapdanst als sterrenregen tegen het raam. Je moet kijken, kind! Fluister ik. Anders weet je niet waar je bellen moet straks. Ze heeft de hoofdingang gesloten. Mijn woorden ketsen af tegen haar huid en vliegen terug mijn mond in. Ze haalt haar schouders op. September is nog zo ver weg, mam. In de verte wapperen wimpels aan het beeld op het marktplein van Groteschoolstad. Bel nu maar, zeg ik langs een clandestiene toegangspoort. Goed gedaan. Kijk, we zijn er.

Terwijl we over het marktplein lopen, schudt het Letterkind wolkenplukjes van zich af. Niet allemaal, want het leven schuurt regelmatig. Zeker op dagen als vandaag. We wandelen naar de Groteschoolstraat en terug naar de bushalte. Dat was de ochtendmandarijn. Nu de avondmandarijn. Klaar? Het Letterkind kucht. Haar keel zit vol met pitten.

Helena

Een jongeman met een zwarte overall met witte verfspatten, komt bij ons staan. Zegt dat die klotebussen altijd te laat zijn en vraagt of onze auto stuk is. Ik schud mijn hoofd. Zeg dat het Letterkind de busrit naar de GROTE SCHOOL oefent. De jongeman knikt. Kijkt even rond of niemand mee luistert en zegt dan: Hopelijk is ze niet bang van … ge weet wel, dát soort mensen?! Ik kijk nu ook in het rond. Zie geen mensen. Van geen enkele soort. De jongeman kijkt me samenzwerend aan. Ik lach. Zeg dat ze van geen enkel soort mensen bang zou moeten zijn. De jongeman heeft daar zo zijn eigen ideeën over. Hij richt zijn ogen nu op het kleine Letterkindje en haalt vakkundig enkele adviezen uit zijn broekzak: Als dát soort mensen u ambeteert, dan zegt ge gewoon – hij kijkt nog eens argwanend in het rond en fluistert dan (vol vuur en vol vers speeksel) een Italiaanse vloek over padre & madre in het Letterkinds oor. Ik pluk wat wolkjes uit de lucht en smeer die over haar lijfje. MAAR! LET OP! Vervolgt de jongeman. Zeg dat nooit tegen een Italiaan! Dan hebt ge pas problemen! Het Letterkind kijkt me vol ongeloof aan. Gebeurt dit echt? Mam? Ik lach. Ik hou van dit soort van spontane, volkse ontmoetingen op de bus. Van rondgestrooide (in het wilde weg), goedkope adviezen. Ik knik.

We reizen terug naar huis. Het kind zoekt vruchteloos naar zachte plukjes. De jongeman stapt af en wenst het Letterkind veel succes. Omdat ze dat nodig hebben zal. Opnieuw een samenzwerende blik. Alsof hij en ik iets weten wat zij nog niet weet.

Het Letterkind moet opnieuw bellen. Bij de verkeerslichten in het dorp. Ze heeft die nog nooit gezien (ze vlogen steeds als sterrenappeltjes de lucht in – soms groen, soms rood, soms oranjegeel). We stappen uit. Steken de Rijksweg over. Stappen op onze fietsen en rijden terug naar huis. Door het dorp, kindje! Het kindje kent de weg niet. Beweert hier nog nooit geweest te zijn. Haalt haar schouders op en beslist het fietspad te volgen tot het verdwijnt achter de horizon. Daar is het vast warm en wolkig. Daar rijden vast geen bussen met dát soort mensen. Daar kan je vast heerlijk ver-dwijnen in zoete dromen. Daar wil ze nog heel even blijven. September is nog zó ver weg.

paradijsvogels

Geertje, Sappho & Diane Vandeputte

Geplaatst op

Diane Vandeputte was een nieuwe moeder aan de schoolpoort. Snel vernam ik dat ze ook schrijver was. Toen zij op haar beurt leerde dat we beiden met de pen brood op de plank toveren, baande ze zich resoluut een weg doorheen mijn gesloten dampkring en stelde ze zich trots, doch innemend voor: Hee. Ik ben Diane. Vandeputte. Wellicht ben je bekend met mijn werk? Ik hoor dat je ook schrijft?

In gedachten schudde ik mijn schubbige vel terug op zijn plaats. Ik hapte naar asem en trok mijn ogen wijd open. Een aanval. Kennismaking, zegt men in de volksmond. Ik relativeerde mezelf. Zei dat ik sprookjes, kleutertoneeltjes en soms ook perverse ontmoetinkjes uit mijn pennen toverde. Met Geertje en zo. Diane knikte. Bewierookte zichzelf. Literaire, feministische opiniestukken en poëzie. Over Sappho en zo. Ik taste haar af met mijn ogen en voelde hoe alle letters in mijn hoofd koppig afdaalden naar de bodem van mijn buik. En hoe ze daar knorrige geluiden veroorzaakten, die doorheen mijn slok- en luchtpijpen op en neer bewogen. Mijn lijf, een orgel. Mijn hoofd, een basdrum. Mijn blik, crashend tussen de kiezelstenen onder mijn voeten.

Misschien moesten Geertje en Sappho maar eens koffie gaan drinken?

Ik keek rondom mij. Vroeg me af wie deze zin in de ether smeet. Diane knikte vriendelijk. Of het ook thee mocht zijn? Ze had geen idee hoezeer deze ogenschijnlijk onschuldige repliek de voorbode zou zijn van een heus fiasco.

De volgende dagen bracht ik de kinderen veel te vroeg en haalde ik hen veel te laat weer op van school opdat onze wegen zich niet meer zouden kruisen. Toch bleef de rendez-vous in mijn agenda staan. Ik had gehoopt dat de letters zouden vervagen, maar dat gebeurde niet. Integendeel. Ze dansten steeds zwoeler, steeds gevaarlijk dichter tegen de kantlijn. Tot ze zich als junikevers uit het papier tolden en steeds hoger vlogen tot ik ze wel slikken moest.

sappho

Ik duw de zware deur van het koffiehuis open en laat mijn blik voorzichtig over de oude vloertegels glijden. Van bloedspatten geen spoor. Enkel een slijmsliert. Een vreemde asbak in de vorm van een tiet trekt mijn aandacht. Koffie smaakt altijd beter in een waas van sigarettendamp. Ik duw de melkachtige substantie aan de kant en zie Diane zitten aan een tafeltje bij het raam. We knikken. Bestellen een koffie. En een thee. Onheil sluimert mijn bovenkamer binnen. Zie ze snuffelen, lacht de schrijfster terwijl ze met haar kin wijst naar Geertje en Sappho, die elkaar verderop aan een tafel aftasten. Er wordt geloerd, gesnoven en gefronst. Men komt dichterbij en trekt zich dan weer terug. Er wordt om hete brijen gedraaid, er wordt gestritst, territoria worden afgebakend en dan… dan stuift Geertje op. Haar stoel schiet naar achter, haar knokkels op tafel, haar smoel bedreigend dichtbij die van Sappho. Haar tanden bloot.

Ik moet je waarschuwen. Ik lijd aan amygdalafantoompijnen. Die boodschap wordt raar bekeken. Het gaat hier immers over een anachronisme maar ook dat bestond toen nog niet. Een anachronisme avant la lettre als je wilt. Schrijf daar maar eens een gedicht over! Of een feministisch opiniestuk!

Diane voelt Geertjes blik ook op háár gelaat en nipt zenuwachtig van haar thee. Thee! Voor losers, zeg ik. En ik zou het koekje misschien negeren. Fantoompijnen. Daar hadden we het over. Van de amygdala.

Hierdoor kan ik volledig rationeel en zonder druk om op sociaal gewenste wijze te reageren, in het leven staan. Feminisme dus. Ik huiver van het woord. Alsof we zelf controle zouden hebben over onze rol, onze status in de maatschappij. Dat is, lieverd, bi-o-lo-gisch allemaal voor ons geregeld. We hoeven dat niet uit te vinden of zo. We meanderen met de stroming mee. Je strijdt tegen vrouwen aan de haard? Ik ben het daar maar gedeeltelijk mee eens. Kijk, dametje, wij hebben het weliswaar voor het kiezen, maar dan… maar dan. Dan zit je natuurlijk met de gebakken peren. En dan kan je er maar voor zorgen dat je je zo goed mogelijk uit de slag trekt. Een extraatje nu en dan is mooi meegenomen. Een must? Misschien. Een plus? Alleszins. Ik hoef je dat niet uit te leggen in hedendaagse termen, daarvoor ben je te hellenistisch. Of prehistorisch. Of fabelachtig. Wie zal het zeggen. Of toch? Snap je het niet? Is je rationeel vermogen ondertussen zo grotesk dat je het eenvoudige niet meer begrijpt? Wat is er? Ben je bang dat ik je aanvallen zal? Dat doe jij al heel de tijd. Met je ellebogen doorheen mijn dampkring. Gelijk de prins in het doornenbos. Alleen wil ik niet gekust worden. Zie je niet dat ik al lang wakker ben?

Dianes ogen pingpongen van Geertje naar Sappho en dan weer terug naar mij. Haar thee is verdampt. Ze sabbelt al tien minuten op haar koekje dat nu in slijmerige slierten van haar mondhoeken naar haar kin glijdt.

Ik lach. Bied haar een servet aan. Ik begrijp deze conversatie beter dan wie ook.

In dat opzicht lijkt het mij voor vrouwen, moeders zeg maar, ideaal om een thuisjob te hebben. Nee, niet aan de haard, je hoeft niet zo lelijk te kijken. Ik zei: thuis-job. En in dat opzicht vind ik die webcam-dames héél erg intelligent. Biologisch intelligent. Snap je? Aangepast. Zij zogen hun kroost, verzamelen gouden vruchten en houden tegelijk het hol proper. Er hoeft niks opgeveegd te worden. Dat kan je over de andere zijde niet zeggen. Daar kan men na het swaffelen ook swifferen!

Ik lach. Diane kwijlt. Sappho heeft zich een tiet afgesneden en richt een pijl op Geertjes hoofd. Ik duw haar aan de kant. Amygdalaloos. Trut. Wat wil je? Diane komt er nu ook bij staan. Grist de pijl uit Sappho’s handen en steekt haar in haar sacoche. Dat ik niet wijs ben. Dat er stukken aan me zijn. Opiniestukken, denk ik. Ze schudt haar hoofd. En ook geen poëzie. En dan verdwijnt ze in een stofwolk van sociaal correcte ideeën. De tiet ligt verweesd op tafel. Een slijmerige sliert van koek en thee gonst over de vloer.

Zwart schaap

Geplaatst op

Onze dagelijkse wandelroute meandert vrolijk tussen koeien- en schapenweiden. Eentje herbergt een kudde verse lammetjes. Met zo’n twintig witte en precies één zwart schaapje. Het Letterkind plakt haar blik op de donkere pluisbol en laat haar ogen dan pingpongen tussen de witte krullenkopjes.

“Hoe komt dat, eigenlijk, mam? Dat er zo één zwart schaap tussen loopt?”

schapen

Mijn brein begint te tollen. Heel snel en heel stoffig. Tot mijn hersenen de pan uit zwieren en zo’n twintig jaar terug de tijd in vliegen. Ik zie mezelf aan de hoge lessenaar zitten in de les Natuurwetenschappen. Vooraan staat een mager ventje iets met handen en voeten uit te leggen: Meneer Rosius. Hij had de ondankbare taak om ook de niet-wetenschappelijke richtingen toch iéts bij te brengen over biologie, chemie en fysica. Het was niet aan ons besteed. Maar Meneer Rosius liet zich daardoor niet van de wijs brengen. Hij bundelde al zijn enthousiasme voor zijn vak in zijn pezige lijf en raasde hyper avant la lettre als hij was door de stof die hij ons desnoods eigenhandig de strot zou induwen.

“Schrijf op!” riep hij dan, hapte naar adem en vlamde de ene halve zin na de andere uit zijn mond en op ons blad. Meestal hield ik de interpunctie voor het laatst. Als alle stukjes zin op mijn papier stonden, strooide ik er wat komma’s, punten en vooral veel vraagtekens tussen en hoopte dan dat ik thuis alles met een magische spreuk zou kunnen ontraadselen.

Andere keren stond hij als een grijze tovenaar die tegelijk ook wat weg had van een wielrenner op een oude postkaart, met bunsenbranders te zwaaien of liet hij iets ontploffen (om ons wakker te schudden) of stond hij met zijn onrustige hoofd te schudden wanneer dezelfde jonge dame weer eens flauwviel nét voor een toets.

Van zijn lessen is me niet veel bij gebleven (het waaide gewoon keer op keer uit het raam in mijn bovenkamer) maar op één of andere manier herinner ik me wel nog hoe dat ene zwarte schaap in een witte kudde terecht komt. Toen ging het niet over schapen maar over erwtjes (geloof ik). En ze waren niet wit en zwart, maar groen en geel. En één van beide was dominant en de andere dus onderdanig (“Zeker, Meneer. Absoluut, Meneer. Komt in orde, Meneer!”). Om een lang verhaal, dat bovendien neergekribbeld staat in gebroken zinnen met veel vraagtekens in één of andere hersenkwab in mijn koekenpan, toch ietwat te kortwieken, zeg ik (terwijl ik mijn pauwenstaart openvouw) tegen het Letterkind:

“De boeren zetten altijd één zwart schaap in een witte kudde omdat dat onheil voorkomt. Meer moet je daar niet achter zoeken.”

Elise met schaapje

Woordzoeker vzw

Muzische, artistieke taaleducatie voor kinderen, jongeren en volwassenen

Het Ontstaan

Hoe de woorden zich bewegen en vorm worden

Kim in de pen blogt

Belevenissen van een maandagskind

ben zo terug!

En toen was er...

Niels Hagen, een persoonlijk filosofisch weblog

Over: duurzaamheid, film, kunst, liefde, literatuur, muziek, politiek, sport en wetenschap

Rolf van der Leest

Gebundelde karakters als proviand voor de geest

gedacht & gedicht

en soms wat meer gedicht dan gedacht

pazzidiparole.wordpress.com/

Ann Van Dessel - Erwin Steyaert - Hilde Pinnoo

Lettergoesting in avondland

Over kunst en letters en hun plaats in mijn leven

Fotogedichten van Lenjef

Losse gedachten in woord en beeld gevangen ©

Places Unknown

Dmitrii Lezine's Places Unknown is fine art and travel photography from around the world. Enjoy!

Figments of a DuTchess

not noble, just Dutch

Jonas Bruyneel

Literatuur/Journalistiek/Muziek

LouTerLou, I'm telling you

blogs, columns, life

Loessoep

I'd rather be a verb than a noun

Margo Hermans

Blog what you live; don't live to blog.

Lettersmid

Vindt (de) zin

Goed Gezind

Terug naar de eenvoud

Kluger Hans

Online platform

KING BILLY's REPUBLIC

For whatever it's worth

ilcavallobianco

corri, corri mezza prato

Alowieke

Ik kijk en ik creëer

Stop Shop 2014

we stoppen de shopping waanzin (voor één jaar)

Land van Eden

Of hoe we anders kunnen leven en denken.

Jean Philip De Tender

everything is a story

kribbels uit mijn leven

een kijk in mijn gedachten en de gebeurtenissen uit mijn dagelijks leven, heel gewone dingen, misschien ook wel heel bijzondere......

Taaldacht

Mijmeringen over de aard en wortels van onze taal

Juliecafmeyer's Blog

Just another WordPress.com site

sarahgoodreau

things and not things.

Door Suzanne

De beleving in al haar facetten

Opmerkelijke Manieren

mijn ervaringen als lid van Mensa

akim a.j. willems

pssst...het menu van deze site vind je dààr in het hoekje = = = = = = = = = > > > >

Groove Garden

Adriaan Kuipers

Spiegelingen

Mijn wereld in spiegelbeeld

Kaat Kladdert

Kaat kladdert erop los

Ketogeen... en... Wat ?

Zelfexperiment van ketogeen..... eten ! En ? Hé ? Ja dat !

Leen Huet

Leen Huets blog

Tom Driesen

En als je me niet gelooft dan maak ik je iets mooiers wijs

%d bloggers liken dit: