RSS feed

Categorie archief: Column

Geitenneukers & Kaaskoppen

Geplaatst op

Kleuters radicaliseren. En de mediabom ontploft. Weeral. In alle kleuren, hoog boven onze hoofden. In de lucht. Kijk daar! En daar! Piew, piew, piew… Boem! Ohhhh, zo schoon! Ik verdenk al die aanstokers ervan lucht uit hun duim te zuigen. Om die vervolgens te drenken in linkse of rechtse verf. Opdat hun spatjes in de juiste schapenweide zouden terecht komen. De kudde kan dan op gepaste wijze blaten tot je er horendol van wordt. Zonder dat er iemand ooit een geradicaliseerde kleuter gezien of gehoord heeft. Maar tegen dan bestaat ie al. De wereld krioelt ervan. Ondertussen.

Ik werk al verschillende jaren met kinderen. Ik geef theaterlessen en muzische taalvorming. Mijn klasjes zijn uitermate divers. In de provincie werk ik vaak met verwende scheten. Kinderen van tweeverdieners. Met grote huizen en veel elektronische surrogaataandachtsapparaten. In de mijnstreek krioelt het van Turkse en Marokkaanse kindjes in mijn klas. Met derdegeneratiemama’s waarvan er te veel naar mijn goesting geen deftige Nederlandse zin uitgesproken krijgen. In de hoofdstad werk ik met regenboogklasjes. Van alles wat. En ja. Daar hoor ik de verhalen die men de geradicaliseerde kleuters toeschrijft, ook. Joden zijn apen. Christenen zijn varkens. Vrouwen zijn hoeren.

Ik kijk daarnaar met drakenvliegogen. Dat maakt het moeilijk om één samenhangend beeld te vormen. Ik zie facetten. Deelverzamelingen. Losse pigmenten en net geboren lichtjes waarvan je twijfelt of je die nu net zelf verzonnen hebt. Laat mij dus één aspect van dit veelkleurige verhaal met u delen.

Ik heb het geluk gehad om op te groeien in de suburbs van de arbeidersstad Genk. Ik ging er naar school en smeedde er vriendschappen, ik heb er veel aan de toog gehangen en ik zat nog op het muurtje aan de fonteintje. Ik zat op het Atheneum, in een regenboogklas. Geitenneukers, kaaskoppen, bleekscheten, makakken, itakken, spleetogen, spaghettivreters, negers en rossekoppen. Maar op het einde van de dag waren we allemaal beejaloo’s.

Humor. Dat was het. Wat nu als een belediging aanschouwd wordt, dat was toen humor. Waar je nu een proces voor aan je broek kunt krijgen, dat was toen humor. Waar je nu – in verre vreemde landen – voor in de bak kunt vliegen, dat was toen humor. Wat nu als geradicaliseerd gedrag bestempeld wordt, dat was toen humor. We smeten vuilbekkerij naar elkaars hoofden, als was het een sneeuwballengevecht. Je had er die snel en vakkundig dikke, perfect gemodelleerde ballen smeten. Je had erbij die wat smurriesneeuw van de grond schraapten en dat zooitje in je nek smeerden. Je had de losers die altijd mis gooiden. Je had de broekschijters die zich bang achter het muurtje verscholen of wegketsten terwijl ze op hun mama riepen.

Men stelt zich soms de vraag wanneer men grappen maken kan om een beladen situatie. Wanneer is het te vroeg om met iets te lachen? Hoeveel generaties moeten er opnieuw voorbij gaan vooraleer we mogen lachen met de diversiteit in onze maatschappij? Want het lijkt erop dat we ondertussen allemaal in het schijtluizenhoekje staan. Achter één of andere antidiscriminatiejufs rok. Beschermd tegen sneeuwballen. Uit het zicht. Onherkenbaar. Onbereikbaar. In een glazen stulpje. Waar je het moet doen met kunstsneeuwvlokken. Kom, schud jezelf nog eens op. Door elkaar. Het is hier zo steriel.

sneeuwbol

In het midden van de speelplaats staat een lange, feestelijk gedekte dis. Vleesspiesen liggen op de barbecue. Wijn wordt geschonken. Muziek weergalmt. Mensen dansen en eten. Praten met elkaar. Lachen. Hier en daar kruisen voorzichtig verliefde ogen. Onder de tafel zitten vier kleuters.

– Jij bent aap.
– En jij bent zwijn.
– Bah! Zwijnen!
– Zwijg uw lip!
– Zet jij sjaal rond uw kop!
– Schei uit! Ga geit neuken, gij!
– Mi… uw vader is een aap!!
– Uw moeder zijne!
– Uw zuster zijne!!!!
– Schop u van hier!!!!!
– Beejaloo!!!!!
– Tsssss….!!!!!!

Ik wil niet oproepen tot iets. Maar misschien moeten we mee aanschuiven. Misschien moeten we glimlachen omdat we zien hoe onze kleuters onder tafel sneeuwballen gooien. Sneeuwballen die we thuis in de diepvriezer bewaren en die we heel af en toe, omwille van de nostalgische waarde, omwille van een stiekeme heimwee naar eenvoudigere tijden, opgooien. Sneeuwballen die dan opgevist worden door onze kinderen en die dan onder tafel naar elkaar gesmeten worden. Als een spel. Een kennismakingsspel. Na zoveel generaties. Mag er misschien terug gelachen worden.

Misschien ook niet. Weet ik veel. Ik ben maar een beejaloo.

Advertenties

Zwart schaap

Geplaatst op

Onze dagelijkse wandelroute meandert vrolijk tussen koeien- en schapenweiden. Eentje herbergt een kudde verse lammetjes. Met zo’n twintig witte en precies één zwart schaapje. Het Letterkind plakt haar blik op de donkere pluisbol en laat haar ogen dan pingpongen tussen de witte krullenkopjes.

“Hoe komt dat, eigenlijk, mam? Dat er zo één zwart schaap tussen loopt?”

schapen

Mijn brein begint te tollen. Heel snel en heel stoffig. Tot mijn hersenen de pan uit zwieren en zo’n twintig jaar terug de tijd in vliegen. Ik zie mezelf aan de hoge lessenaar zitten in de les Natuurwetenschappen. Vooraan staat een mager ventje iets met handen en voeten uit te leggen: Meneer Rosius. Hij had de ondankbare taak om ook de niet-wetenschappelijke richtingen toch iéts bij te brengen over biologie, chemie en fysica. Het was niet aan ons besteed. Maar Meneer Rosius liet zich daardoor niet van de wijs brengen. Hij bundelde al zijn enthousiasme voor zijn vak in zijn pezige lijf en raasde hyper avant la lettre als hij was door de stof die hij ons desnoods eigenhandig de strot zou induwen.

“Schrijf op!” riep hij dan, hapte naar adem en vlamde de ene halve zin na de andere uit zijn mond en op ons blad. Meestal hield ik de interpunctie voor het laatst. Als alle stukjes zin op mijn papier stonden, strooide ik er wat komma’s, punten en vooral veel vraagtekens tussen en hoopte dan dat ik thuis alles met een magische spreuk zou kunnen ontraadselen.

Andere keren stond hij als een grijze tovenaar die tegelijk ook wat weg had van een wielrenner op een oude postkaart, met bunsenbranders te zwaaien of liet hij iets ontploffen (om ons wakker te schudden) of stond hij met zijn onrustige hoofd te schudden wanneer dezelfde jonge dame weer eens flauwviel nét voor een toets.

Van zijn lessen is me niet veel bij gebleven (het waaide gewoon keer op keer uit het raam in mijn bovenkamer) maar op één of andere manier herinner ik me wel nog hoe dat ene zwarte schaap in een witte kudde terecht komt. Toen ging het niet over schapen maar over erwtjes (geloof ik). En ze waren niet wit en zwart, maar groen en geel. En één van beide was dominant en de andere dus onderdanig (“Zeker, Meneer. Absoluut, Meneer. Komt in orde, Meneer!”). Om een lang verhaal, dat bovendien neergekribbeld staat in gebroken zinnen met veel vraagtekens in één of andere hersenkwab in mijn koekenpan, toch ietwat te kortwieken, zeg ik (terwijl ik mijn pauwenstaart openvouw) tegen het Letterkind:

“De boeren zetten altijd één zwart schaap in een witte kudde omdat dat onheil voorkomt. Meer moet je daar niet achter zoeken.”

Elise met schaapje

Baboeshka

Geplaatst op

Ik heb het geluk om telkens twee volle weken nadat iedereen dat doet, terug te kunnen blikken. Op een jaar. Een levensjaar. Dat ook. Wanneer je niet langer dronken bent van knallende goede voornemens die over je heen druipen, onder je huid kruipen wanneer de laatste pijl afgeschoten is en de nacht opnieuw even donker schijnt. Wanneer je al die loze beloften aan jezelf en de ander afgeschud hebt en beseft dat persoonlijke evolutie slechts mogelijk is binnen de marges van de blauwdruk. Een steen in het water. Een pasgeboren lichtpuntje in een overleden sterrenstelsel. Ik ben al wie ik ben. Wie ik zijn zal. Groeien kan slechts inwendig. Laag na laag.

De recentste bedding zal altijd gevoelig zijn voor schimmels. Vochtproblemen. Tranen. Verdriet. Persoonlijk ging het mij nochtans voor de wind. Ik paste de lessen toe die ik in vorige levens leerde. Ik plukte eindelijk vruchten waar ik voorheen dacht dat er nooit een einde aan het zaaien komen zou. Ik woonde in een huis boordevol liefde en geluk. En toch. Vochtproblemen.

Men beschuldigt mij wel eens ervan neer te kijken op of alleszins vanop een kille afstand te kijken naar de mensen rondom mij. Dat zijn er veel. Een hele kudde. Met hier en daar een einzelgänger. Zoals ik. Een zwart schaap. Een kunstenaar. Een kluizenaar. Een heremiet. Een dwaas. Een wijze koning. Een outcast. Een outlaw. Een vreemde eend. In de bijt. In de troep. De meute. De horde. De alles-met-zich-meesleurende meander. Bruut geweld. Meedogenloos. Gedreven door een overdonderend, massaal buikgevoel. Vind je het raar dat die beschuldiging niet helemaal loos is? Toch had ik voorheen geopperd dat we in een knipperlichtrelatie zaten. Een haat/liefde verhouding. Waarbij we elkaar gefascineerd aftastten. Met onderlinge toestemming. Van mijn kant tenminste. Daar is niks mis mee.

Maar in het afgelopen jaar waren er dus vochtproblemen. Een heleboel. Op den duur zie je dan niks meer. Op den duur krijg je dan ademhalingsmoeilijkheden. En lelijke vlekken. Die er nooit meer uitgaan. Op je huid, je hout, je huis. Je denkt dan steeds meer aan een – op den duur onoverkomelijk – vertrek. Naar andere oorden. Met palmbomen. Nee. Doe toch maar iets unheimischers. Blauwdruk. Weet je wel.

Je groeit opnieuw naar binnen. Trekt een nieuwe, nauweraansluitende houten huid omhoog. Kruipt in je vel. En terwijl de bommen vallen in je oude huis. Terwijl een steeds gulzigere virtualiteit er om zich heen vreet en graait en alle vitaliteit uit jeugd en verzet en rebellie en hoop zuigt. Terwijl je er eenzaam duimpjes telt en langzaam verdampt in het sine qua non van het persoonlijke gemak. Zwaai je tevergeefs met lijfspreuken die er niet meer toedoen. Omdat ze gegrift zijn in lichamen die de Olympus, de heldenheuvel en masse besloten te verlaten. Bowie. Geen kat die durft in het oude huis. Geen androgyne ziel die zich vestigt in het door mij verlaten pand. Geen kameleons, geen zonderlingen, geen kwieten aldaar. Prince. Geen blote billen. Geen lustobjecten. Geen seks. Geen humor. Geen stiletto’s voor mannen in het steriele web. Eco. Niet comprimeerbaar, niet compatibel in het 140 tekens tellende rijk. George Michael. Wham. Geen plaats voor jeugdsentiment. Mijn grijze vader slaapt in zijn donzen armen in mijn oude bed. Hij moest eens weten. Let’s go outside, daddy. Shoot the dog. Niemand lacht in het afgeschud huis. Men is er te druk met tenen krullen, wonden likken, ontkrenken, als een geslagen hond de wereld laten weten dat men dit NIET pikt. Verdomme.

Mijn ellebogen raken de wanden van mijn nieuwe nest. Mijn tenen klimmen erlangs omhoog. Mijn kin rust op mijn knieën. Mijn ingewanden liggen op een hoopje. Mijn hoofd neemt verhoudingsgewijs veel te veel plaats in. Ben ik de laatste inwoner van deze structuur? Of is er nog ruimte voor groei? Ik droog mijn tranen. Neurie een lied. Starfish & Coffee. Tegen de echo’s van versleten én ontpoppende lulkoek. Proficiat al. Typt iemand. En stut dat met een duim. En een lachsalvo. En een hartje vol digitale liefde. En een traantje. Omdat ie helaas niet naar mijn voorstelling komen kan. Geen tijd. Geen bus. Geen interesse. Spijtig. Heel spijtig. Maar uitstel is geen afstel. We maken het goed. Een ander keertje, zeker wel. Maar nu niet. Nu even niet.

En terwijl ik diep wegglijd in mijn houten huid. Puzzelt een kinderhand mij vakkundig uit het steeds groter ogend gewrocht. Een pop! Roept het kind. Blij en verrast. Hoera!

feestvarken

Klaproos

Geplaatst op
Klaproos

Mijn grootmoeder vertelde eens dat ze diepgelovig geworden was na het verlies van haar oudste zoon. Ze had gevraagd om een teken. Omdat ze het zo goed hadden. Het kind was vier toen hij stierf. Mijn oma ging toen zingen bij het kerkkoor in een lange mintgroene japon met een zwarte roos boven haar hart. Als dank voor dit teken. Die opeenvolging van gebeurtenissen en de betekenis die mijn oma daaraan gaf, is mij altijd bijgebleven. Omdat je de onderlinge causaliteit met je hoofd niet aanvaarden wilt terwijl je het met heel je lijf tegelijk ook helemaal vat.

Jaren later lag ik met een lege buik in een witte, steriele kamer. Met een soundtrack van huilende baby’s en kraamvisite op de achtergrond. Ik had ook een kindje verloren. Eentje waarvan we nog maar een paar weken hielden. In al mijn verdriet ontdekte ik een gevoel van nederige dankbaarheid voor het leven. We namen een Plankindje. Als dank voor dit teken.

……………………..

Twee weken geleden liep ons huis vol voor het jaarlijkse sinterklaasfeest. De meisjes kregen kadootjes. We aten letterkoekjes, marsepein, mandarijntjes, speculaas en ventjes van chocola. Ik huiverde na van het dikke, zwarte nummer ‘14’ dat naar me grijnsde vanaf het pakketje dat ik bij de sint besteld had. We dronken koffie en borrels. Bijgeloof! Het had een schoon feest moeten zijn. De laatste gasten gingen de deur uit. Bijgeloof, zie je nu wel! Bijna dacht ik: het was een schoon feest. En toen kwam de schreeuw.

Ons kleinste meisje. Ons Zonnekind. Door merg en been. Help me, help me dan toch. Mama. Mijn hersenen werken niet meer. Ik ga in automatische piloot. Ons grootste meisje, het Letterkind, weet het ook niet. Iets met drinken. Hete thee. Een thermos is geen drinkbus. Ik trek kleren uit. Zet ons kleine meisje in de douche. Fris water, niet koud. Twintig minuten. Blijven ademen. Ik moet iets doen. Ademen. Iemand bellen. Wat is het noodnummer? Het zijn er zoveel. 100, 101, 112. Het Letterkind neemt de douchekop over. Blijven spoelen. Blijven ademen. Wij gaan dit overleven. Niet flauwvallen. Google zegt: bel de 100. Ik luister. Naam, adres, meisje van 8 jaar heeft zich aan lip, kin, borst en buik verbrand met heet water. Er zijn dikke blaren te zien. Moment van klaarheid. Ze komen eraan, meisje. We blijven spoelen. Fris water, niet koud. We blijven ademen.

………………………

Ze kwamen. De lieve mensen van de nooddiensten. Met een huilende, blauw flikkerende ambulance. Toeta-Toeta. Ze namen het van ons over. Brachten ons meisje naar het ziekenhuis. Het zou in orde komen. Langzaam sprong ons brein uit automatische piloot. Tranen borrelden omhoog.

We zijn ondertussen tien dagen verder. Ons meisje zit naast mij aan de ontbijttafel. Haar lip en haar kin zijn terug verbandvrij. Haar borst en haar buik verstoppen zich, ingepakt en ingezalfd onder haar trui. Mijn telefoon gaat af. Ik neem op. Het is Koen Wauters. Hij heeft een berichtje ingesproken. Dat alle meisjes recht hebben op een mooie toekomst. Toeval bestaat niet.

Opnieuw denk ik aan mijn grootmoeder. En haar vraag om een teken. Opnieuw vat ik het. Het gaat over fragiliteit. Over echte schoonheid die altijd fragiel is. Een plastic bloem is lelijk. Een klaproos die elk ogenblik, door het kleinste zuchtje wind haar bloemblaadjes verliezen kan, is schoon. Zo wil ik die momenten van verdriet en verlies begrijpen. Als teken van de fragiele schoonheid van het leven. Omdat je geen genoegen neemt met een plastic bestaan. Dus dank u. Koen, God, Sinterklaas. Dank u.

Pano

Geplaatst op

Op een dag beslissen twee Roodkapjes te verhuizen naar het witste dorp van het land: Tremelo. Een kleine gemeente vol van Boze Wolven waar men nog nooit een Roodkapje gezien heeft. Daar, in het witte Tremelo, openen ze een winkeltje met allemaal Roodkapjesspullen. Maar de Boze Wolven van Tremelo willen helemaal geen Roodkapjeswinkel in hun dorp! En hoe de lieve Roodkapjes ook koekjes uitdelen en handjes en glimlachen en kortingsbonnen, ze zijn niet welkom. De Boze Wolven roddelen over hen. De Boze Wolven zijn op hun hoede, vrezen dat een heuse Roodkapjesinvasie binnen de kortste keren hun mooie, witte Tremelo overspoelen zal. Gelukkig krijgen de Roodkapjes hulp van een moedige jager. Die manipuleert de boel een beetje zodat de Boze Wolven uiteindelijk de Roodkapjeswinkel toch nog bezoeken, proeven van de koekjes en moeten concluderen dat die Roodkapjes zo slecht nog niet zijn. En ze leefden nog lang en gelukkig.

Net zoals in dit sprookje, portretteert de VRT in zijn nieuwste duidingsshittelg Pano mensen als stereotypes, karikaturen. Karima & Mohammed mogen Roodkapje spelen: het sympathieke slachtoffer, welwillend, onschuldig en vol goede moed. De modale Vlaming mag Boze Wolf zijn: de schurk, wantrouwig, vals en gemeen. Gelukkig snijdt een moedige redactieploeg dit actuele thema aan als de gevulde wolvenbuik uit het sprookje.

Het programmaboekje belooft vervolgens inhoud, diepte en antwoorden. Ik stel mij ten eerste de vraag op welke vraag men antwoorden zocht. U hebt ze vast gezien, maar ik ben weinig vraagtekens tegengekomen in dit VRT-sprookje. Dat komt vast omdat de jager een belerend, moreel superieur vingertje in mijn ogen stak. Dat verblindt, weet u wel.

Hij had misschien kunnen vragen:

Waarom de Boze Wolven wantrouwig zijn.

Of de Roodkapjes dat misschien zelf ook zijn in Roodkapjesstad.

Of het niet eigen is aan sprookjesfiguren dat ze wantrouwig zijn ten opzichte van het vreemde, het onbekende? Of dat misschien ingebakken is? Of dat misschien gecultiveerd wordt door:

  • Ons onderwijssysteem dat kuddegedrag & -denken aanmoedigt
    (allemaal in de rij, we nemen nu onze schaar, we gehoorzamen en zijn braaf)
  • Onze aparte woonwijken, onze aparte scholen, onze aparte levensbeschouwingslessen, onze aparte restaurants, onze aparte relaties, enz)
  • Een ons ingefluisterd ontwijkend onderling contact (vraag niets, beledig niet, lach niet, tracht niet te begrijpen, toon je onbegrip niet, toon je frustraties noch je angsten, leef op tolerante wijze compleet langs elkaar)
  • Onze subsidiemolen die projecten voor bepaalde kwetsbare sprookjesfiguren financiert en zo gemixte activiteiten ondermijnt (je gaat als fee toch niet naar een ‘ik-leer-toveren-feest voor toverzwakke figuren?!) 

Maar bovenal had hij zich vooral beter afgevraagd wat hij met dit stereotypische sprookje, met deze etalage van hokjesdenken, met deze negatieve schertsvertoning bereiken wil? Ik behoor tot de Boze Wolven. Ik vind dat beledigend. En met mij waarschijnlijk heel veel modale Vlamingen die elke dag trachten kleine bruggen te slaan, die proberen te begrijpen, die het gesprek aan blijven gaan, die frustraties wegslikken omdat ze politiek en moreel incorrect zijn. Wie tot de Roodkapjes behoort, is wellicht ook beledigd. Omdat ie opnieuw als zielig slachtoffer, als ongewenste indringer, als ruggengraatloze voorgesteld wordt.

Ik ken zeker modale Vlamingen die me aan de Boze Wolf doen denken. En Moslims die op Roodkapje lijken. Gelukkig ken ik ook andersgezinde modale Vlamingen. En Moslims die niet de hele dag door jammeren en gelijk een debiel koekjes uitdelen aan de pestkoppen in het bos.

Wordt het niet eens tijd dat we al deze niet-stereotype figuren uit ons sprookje aan het woord laten, in de schijnwerpers plaatsen? Wordt het niet eens tijd dat we de confrontatie aangaan met échte mensen? Mensen met angsten, met frustraties, met veel geduld (tot het op is), mensen met moreel incorrecte gedachten, mensen met vragen, met onoverkomelijke twistpunten die de samenleving te dikwijls reduceren tot langselkaarleving.

Laatst werd ik uitgenodigd op een Turks besnijdenisfeest. Ik was de enige Boze Wolf in een meute van 300 Roodkapjes. Ik heb mijn grote ogen uitgekeken. Mijn grote oren gulzig laten flapperen. Mijn grote tanden in die vreemde, onbekende cultuur gezet. Ik leef al heel mijn leven tussen Roodkapjes en ik ken hen niet. Er zijn dagen dat dit mij frustreert, dat dit mij boos maakt, dat ik mij schaam. Er zijn meer dagen dat ik er mijn schouders voor ophaal. Dat ik denk dat dit het beste is wat ik ervan kan maken.

Een programma als Pano versterkt dit gevoel. Deze onverschilligheid. Dit content zijn met oppervlakkige beschaafdheid. Omdat échte sentimenten veroordeeld worden als moreel incorrect. Als onaangepastheid aan de dwingelandij van een multiculturele samenleving als hoogste morele goed.

Ik wil wél vragen stellen. Ik verwacht wél inhoud en diepte en gelaagdheid van dit sprookje. Dit sprookje dat mijn leven is. Ons leven. Dus laat ons denken. Laat ons twijfelen. Laat ons zoeken. Laat ons elke dag opnieuw ons sprookje herkneden. Dat is wat wij mensen doen. De wereld rondom ons in een nieuw daglicht plaatsen, een nieuwe betekenis geven opdat we er ons thuis zouden voelen. Gelijk een kabouter in zijn bos. Gelijk Aladdin op zijn mat. Gelijk de keizer in zijn blootje.

http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/videozone/2.47177/2.47178

Zwijg uw lip & ga knikkeren, gij

Geplaatst op

Speelt gij dan de domme tante? Evy? Is dat goed?”

Ik denk na. Ik wil liever een andere rol. Iemand spreekt me voor.

Ik wil eigenlijk wel de domme tante spelen. Dan kan Evy de rebel zijn. Is dat niks?”

De Regisseur denkt na. Neen. Dat ziet hij niet zitten.

Weet je”, zegt hij “of je dat nu wilt of niet, je ontsnapt nooit helemaal aan een zekere mate van typecasting”

Ik kuch.

Hij komt dichterbij me staan. Doordringt mijn persoonlijke ruimte. Op welk knopje zal hij drukken? Omhoog, om in mijn hersenpan te roeren? Omlaag, om mij te kriebelen in mijn buikje? Helemaal de dieperik in, om mij op de bodem achter te laten?

Het gaat om je accent, meisje. Dat Limburgs van je, associeert men niet met leiderschap, met rebelsheid. Nee, dat is eerder een… hoe zal ik het zeggen… een taal van…”

… een domme tante” zeg ik geïrriteerd.

Hij haalt zijn schouders op. Hij is de regisseur. Hij heeft gelijk.

P1020991

En hij had ook gelijk. Ik heb sindsdien een eeuwigheid gezwoegd om mijn stem met zijn mooie, muzikale, grappige Limburgse tongval om te boetseren tot een oprechte, een geloofwaardige theaterstem die niet onmiddellijk associaties wekt met De Loser, De Dommerik, De Karikaturale Limburgse Snulleman/vrouw.

Eerst dwong men mij mijn tong te krullen (dat doen Midden-Limburgers niet): “Al je klanken zullen naar voren verhuizen!” (ik hou van achterafjes, achterdeuren, achterwegens, achterpoortjes)

Dan moest ik de zachte opzwiep van mijn essen, zetten, sch’s en andere klankneefjes & nichtjes, met een borsteltje verwijderen. Zachtjes! Enkel het opzwiepje! De rest mag blijven staan.

Vervolgens richtte men zijn pijlen op mijn i. De i van vis (verse als het kan). De i van bril (een roze liefst). De i van ik-wil-dit-niet (eenheidsworst op mijn boterham). Ik zou het zelf wel uitzoeken.

En dat deed ik. Ik zocht eeuwenlang naar het juiste recept. Naar de ideale toonhoogtes, de muzikaalste klanken, de overtuigendste melodieën, de zachtste ritmes en ik overgoot dat met authenticiteit. Want daarover gaat het. Toch? Ik wilde dat men naar mijn verhalen zou luisteren. En dat mijn tongval daartoe mocht bijdragen. Met aan zijn zijde: mijn mimiek (overdreven), mijn wiegend lijf (sinds ik baby’s troostte in mijn armen), mijn blik (ontsloten), mijn constant zoeken naar de jazz in elk verhaal (ritmisch, rijmend, muzikaal dan weer a-ritmisch, verrassend en chaotisch). Ik blijf zoeken, maar ik ben op de goede weg. Ik mag dat zeggen. Ik ben de Regisseur van dit schouwspel. Ik heb gelijk.

P1020969

Wat bezielt dan een Matteo Simoni – Smos voor de vrienden, Devon voor de geile wijven – ? Zijn Midden-Limburgse slang mist sappigheid, diepe ij’s, tufvolle opzwiepen, melodische herhalingen van het persoonlijk voornaamwoord (op het einde van de zin, na de komma – Gaat ge ook Esso, gij? Ik ga ook Esso, ikke) en above all: oprechtheid, geloofwaardigheid (verdomme!). Zijn Noord-Limburgs is gemazeld met vreemde semi-Maaslandse melodieën, schoolplankentaal, karikaturaal Hasselts en mist (above all): oprechtheid, geloofwaardigheid. En daarmee sluit hij helaas aan bij een lange traditie in het Vlaamstalige drama. Daarmee bevestigt hij nogmaals het Limburgse stereotype van Domme Kloot.

Doe mij maar Matthias Schoenaerts dan. Antwerpenaar – Vlaamscher wordt het niet – maar zijn Sint-Truidens in de film Rundskop is toch heerlijk? Misschien niet perfect (ah, de zalige imperfectie!), wel oprecht, geloofwaardig en van zijn eigen. Je hoort dat hij die taal heeft beslopen als een roofdier zijn prooi. Dat hij er maandenlang naar geluisterd en van geproefd heeft. Tot hij diep in zijn buik oprechte liefde voor die rauwe Zuid-Limburgse taal voelde opborrelen. En toen heeft hij haar ingeslikt. Toen heeft hij haar herkauwd en doordrenkt van zijn eigen bloed en sappen en herinneringen, terug uitgetuft. En dat gelooft men. Dat is een authentieke stem. Dat is wat het schone Limburgs verdient. Ik vind dat. En ik heb gelijk. In dit schouwspel. Dus zwijg uw lip en ga knikkeren, gij.

Paradijsvogels!

Geplaatst op

P1050164

Mijn kerstverhaal over Koning Charly II woont niet meer in een wolk, maar in een sacocheboekje. Ik kan mij persoonlijk geen aangenamer kooitje voorstellen.

Ideaal als:

  • Tussendoortje
  • Kleine, luchtige maaltijd
  • Dessert

De meeste exemplaren zijn al besteld, maar als je snel bent kan je er nog eentje bemachtigen voor 5€ (+ verzending). Gil dan maar of stuur me een mailtje op evyvaneynde@yahoo.com

Falderalderiere, falderalderare…..xxx

Woordzoeker vzw

Muzische, artistieke taaleducatie voor kinderen, jongeren en volwassenen

Het Ontstaan

Hoe de woorden zich bewegen en vorm worden

Kim in de pen blogt

Belevenissen van een maandagskind

ben zo terug!

En toen was er...

Niels Hagen, een persoonlijk filosofisch weblog

Over: duurzaamheid, film, kunst, liefde, literatuur, muziek, politiek, sport en wetenschap

Rolf van der Leest

Gebundelde karakters als proviand voor de geest

gedacht & gedicht

en soms wat meer gedicht dan gedacht

pazzidiparole.wordpress.com/

Ann Van Dessel - Erwin Steyaert - Hilde Pinnoo

Lettergoesting in avondland

Over kunst en letters en hun plaats in mijn leven

Fotogedichten van Lenjef

Losse gedachten in woord en beeld gevangen ©

Places Unknown

Dmitrii Lezine's Places Unknown is fine art and travel photography from around the world. Enjoy!

Figments of a DuTchess

not noble, just Dutch

Jonas Bruyneel

Literatuur/Journalistiek/Muziek

LouTerLou, I'm telling you

blogs, columns, life

Loessoep

I'd rather be a verb than a noun

Margo Hermans

Blog what you live; don't live to blog.

Lettersmid

Vindt (de) zin

Goed Gezind

Terug naar de eenvoud

Kluger Hans

Online platform

KING BILLY's REPUBLIC

For whatever it's worth

ilcavallobianco

corri, corri mezza prato

Alowieke

Ik kijk en ik creëer

Stop Shop 2014

we stoppen de shopping waanzin (voor één jaar)

Land van Eden

Of hoe we anders kunnen leven en denken.

Jean Philip De Tender

everything is a story

kribbels uit mijn leven

een kijk in mijn gedachten en de gebeurtenissen uit mijn dagelijks leven, heel gewone dingen, misschien ook wel heel bijzondere......

Taaldacht

Mijmeringen over de aard en wortels van onze taal

Juliecafmeyer's Blog

Just another WordPress.com site

sarahgoodreau

things and not things.

Door Suzanne

De beleving in al haar facetten

Opmerkelijke Manieren

mijn ervaringen als lid van Mensa

akim a.j. willems

pssst...het menu van deze site vind je dààr in het hoekje = = = = = = = = = > > > >

Groove Garden

Adriaan Kuipers

Spiegelingen

Mijn wereld in spiegelbeeld

Kaat Kladdert

Kaat kladdert erop los

Ketogeen... en... Wat ?

Zelfexperiment van ketogeen..... eten ! En ? Hé ? Ja dat !

Leen Huet

Leen Huets blog

Tom Driesen

En als je me niet gelooft dan maak ik je iets mooiers wijs

%d bloggers liken dit: