RSS feed

Tagarchief: zeemeermin

Krabben op de zeebank

Geplaatst op

Terwijl ze daar zo lag, mijmerde de sirene over alle gewaarwordingen van de huid die ze nu missen moest. Je zou het misschien niet verwachten, maar het meest miste ze de sensatie van jeuk en krabben en hoe die twee steeds in elkaar grijpen, hoe het één voortvloeit uit het ander, hoe hun intensiteit simultaan groeit en niet ophoudt te bestaan totdat het vel open ligt. Dat miste ze het allermeest. Meer dan liefkozende strelingen. Meer dan de troost van heet, stromend water. Meer dan een douche van malse regen. Meer dan de frisse prikkel van dauw, gras en aarde onder haar voeten. Meer dan plagerige kussen in haar nek en in haar navel.

De inwisselbaarheid van jeuk en geilheid, zoals die soms in flauwe mopjes werd opgevoerd, irriteerde haar bovendien mateloos. De vergelijking was belachelijk. Als het jeukt moet je krabben. Liefst van al doe je dat zelf. Niks zo vervelend als krabinstructies geven die altijd slecht uitgevoerd worden. Vooral omdat de jeukprikkel elke instructie voorafgaat en uitdaagt door te blijven verspringen. Als je geil bent, kan je dat natuurlijk ook zelf oplossen, maar verkies je dat? Zij niet in elk geval, hoewel dat ook lekker kan zijn. Maar verkiesbaar vond ze het niet.

Soms liet ze haar nagels expres groeien om preciezer en dieper te kunnen krabben. Achter haar oren, over haar kneukels, in haar ooghoeken, rondom haar gezicht bij de inplanting van haar haren, in haar liezen, in haar navel, tussen haar lippen, op verspringende plekjes op haar rug, op onvindbare plaatsen rondom haar tenen, daar waar haar schaamhaar opnieuw wilde groeien, diep in haar oren en tegen haar gehemelte. Alle plekjes waren gebaat bij lange, scherpe nagels waarmee je hard en gericht krabben kunt.

De sirene lachte. Herinnerde zich ineens hoe het krabben de jeuk als een warme modderstroom doorheen haar lijf oploste. En hoe heerlijk ze dat vond. Soms was de jeukprikkel zo intens dat ze krabde tot het bloedde. Ze had dan het gevoel dat ze dreef in een warme zee. Ze sloot haar ogen. Zag zichzelf dobberen op het hete Hévíz meer. Tussen de senioren met zonnehoedjes en gekleurde zwembanden. Ze bedacht dat ze weeral vergeten was om zichzelf in te smeren met zonnebrandolie. Straks zou haar vel roze zijn en uiterst gevoelig. Ze vergat telkens waarom dat zo was. Je hoeft ook niet alles te weten.

Nadien zou het vel beginnen jeuken en afblotten. Ze kon zich dan uren bezig houden met zachtjes krabben en velletjes los trekken onder een parasol. Aftersun vond ze maar smerig. Liever deed ze olijfolie of kokosvet op haar tere vel. Smeuïg en aromatisch.

wat-gebeurt-er-met-een-heremietkreeft-als-hij-geen-lege-schelp-of-slakkenhuis-vindt-1358

Een golf klotst tegen de zandbank. Een kille herfstzon steekt moedig haar hoofd boven een wolk uit. Meeuwen krijsen. Een heremietkreeft kruipt eenzaam in zijn schelp. De sirene wacht. En wacht. En wacht. Slijpt alvast haar nagels. En fluistert: En jij? Wat mis jij het allermeest?

Advertenties

Condition of the heart

Geplaatst op

En toen zei de sirene – alsof ze zichzelf opnieuw voor de allereerste keer tegenkwam / ze leidt aan auto-amnesia – : Ik ging zwijgen. Voor eeuwig en altijd. Maar hoezeer ik mijn lippen ook op elkaar pers, je blijft me ontsnappen. Ik leid niet aan auto-amnesia, lieverd, ik leid aan een hartconditie. Ken je dat lied? Condition of the Heart? Haast niemand vindt dat schoon. Maar ik wel. En jij hopelijk ook. Niet dat het zoveel uitmaakt.

Een hartconditie dus. Aangeboren en ongeneeslijk. Lekkende klep. Rode bloedcellen die via die weg tegen de zwaartekracht in door mijn luchtpijp naar boven dwarrelen! Mensen denken dat ik gek ben. Is ook zo. Desalniettemin. Kan ik dus niet zwijgen. Ik zou exploderen. Ontploffen. Dat wil je toch niet. Liever adem ik je in en laat ik liefdesbellen ontsnappen uit mijn mond.

Jij kan dan in die malse bellenregen gaan staan met je armen gespreid zodat er zich soms eentje heel even op je pols (ze zijn goed van temperatuur) nestelen kan om dan ogenblikkelijk uiteen te spatten als je er maar naar kijkt. Vangen is sowieso geen optie. Je mag enkel stiekem gluren. Inslikken is al helemaal uit den boze! Doe dat niet! Ik ben besmettelijk. Voor je het weet staan we met z’n twee rode bloedcellen uit te zweten. Dat zou op zich geen probleem zijn, ware het niet dat mijn vel nog niet is dichtgegroeid.

Ik wacht. En wacht. En wacht.

Op nieuw vel. Liefst geen schubben. Die zijn zo ondoordringbaar. Wil ik niet. Doe mij maar rijstpapier. Met alle risico’s vandien. Ondertussen zal ik je stiekem bedwarrelen. Als jij dat goed vindt tenminste. En anders moet je maar ergens anders gaan staan. Zodat ik je niet meer inademen kan. Eigenlijk is het ook allemaal jouw schuld. Lieverd. Dat is niet erg. Misschien heb jij ook wel een hartconditie? Misschien kan jij niet anders dan dat je opgesnoven moet worden omdat je anders overloopt van jezelf? Nee, dat denk ik niet. Zo narcistisch lijk je me niet. Misschien… tja, kijk, ik weet het ook niet. Ben ook geen dokter. Ook niet van het hart. Misschien moet je het mij gewoon eens een keertje influisteren? Dan delen we alvast een geheim.

En toen ging de sirene languit op haar zandbank liggen. En haar haren woeien als zeewierslierten over haar gezicht. En het kon haar niet schelen dat de zomer vertrokken was en dat de herfst winderig en nat over haar lijf blies, want ze had iets te doen. Iets belangrijks. Ze wachtte. En wachtte. En wachtte.

 
P1100577

 

Wat je niet ziet, bestaat niet

Geplaatst op

Wist je dat zeemeerminnen niet geboren worden maar groeien? Nee, niet zoals een oesterparel. Of een mossel. Zeemeerminnen zijn eigenlijk gedrochten van de onachtzaamheid, de vergetelheid op den duur.

Je zou het kunnen vergelijken met een elektriciteitspaal naast een huis, die haast ongezien begroeid geraakt (van beneden naar boven) met klimop. Aanvankelijk lijken de bronsgroene stronkjes aan de voet van de paal nog op schoenen. Glimmende, elegante schoenen waarmee je dansen gaat. Die je zou willen uitschoppen op een feest omdat je tenen en je hielen erin opgesloten zitten als in een corset. Maar je houdt ze aan, omdat dat toch van je verwacht wordt. En je verbijt het ongemak, de opgeslotenheid. Je doet alsof het schoentje past. Je doet alsof je op wolken loopt.

Na een tijdje beginnen die schoenen te groeien. Het worden enkellaarsjes. Dat vindt iedereen opwindend en sexy. Dus je houdt ze aan. Je tippelt ermee langs de straat. Omdat je gezien wilt worden. Tussen je tenen groeien ondertussen gevoelloze vliezen, maar dat ziet niemand. En wat je niet ziet, bestaat niet. Je denkt dat je jezelf gerust voor eeuwig en altijd etaleren kan. Dus je tippelt en je draait en je showt en je denkt jezelf helemaal bloot te geven maar in werkelijkheid zijn je vrolijke enkellaarsjes al gegroeid tot lederen broeklaarzen waarmee je door het wad ploetert.

Je heft eerst je hiel op, dan de rest van je zwemvliezen. Je zwoegt je door de modder. In de verte lonkt de zee. Je glimlacht maar tegelijk sterf je een beetje. Je beweeglijkheid komt in gedrang. Je voelt hoe je knieën knikken en zich vastgrijpen aan elkaar. Je glimlacht breder. Je strompelt en je valt op het strand (hoe ver is die zee nog?) en je voelt hoe je dijen, je billen, je geslacht en je venusheuvel begroeid geraken met een zilveren kostuum dat steeds harder glimt in de zon. Je voeten zijn verdwenen. Je hebt nu een onderlijf met een vissenstaart. Het janken staat je nader dan het lachen, maar je wringt je lippen in een grimas en je roept “Zie mij! Zie mij dan toch!”.

Je ligt nu op een zandbank omgeven door zout water. Dat heb je zelf bijeen gejankt.

In de verte dobbert een eenzame man op een eiland. Hij denkt dat zeemeerminnen niet bestaan. Hij denkt dat het mentale constructies zijn. Betonnen elektriciteitspalen die overwoekerd zijn door klimop. Op den duur verbrokkelt zo’n paal en blijft er enkel een klimoppen schacht over. Gelijk een mal bij de verlorenwastechniek (cire perdue). Bij mentale meerminnen is die mal van schubben. Schitterende schubben die je telkens opnieuw kunt vullen met hetzelfde harde, gekunstelde lijf nadat het originele, zachte, wassen lichaam weggevloeid is. Je had er in kunnen duiken als in een rivier. Je had boven water kunnen komen en je had je zware hoofd op het zachte lijf kunnen leggen, maar dat deed je niet. Je wachtte liever tot alle was vergeten was. Verdwenen. Je wachtte liever tot je de mal zelf vullen kon. Met steeds hetzelfde harde, gekunstelde lijf. Zodat je geloven kon dat er niks meer was. Zodat je op een dag het allerlaatste bronzen lijfje tegen de pier smijten kon waar het zonk tot op de bodem van de zee. Zodat je zeggen kon dat het maar een oefening was. En dat het bovendien niet paste in het interieur van je minimalistische eiland.

De meermin kan nu enkel nog zichzelf verzinnen. Warm, zacht en kneedbaar. In nieuwe handen.

bronzen meermin“Mermaid” – a sculpture by Nina Winters

Sint-Jan

Geplaatst op

Ik sta op het Sint-Jansplein. Nee, niet dat in Antwerpen, dat in Brussel. Ik kan niet verdwaalder zijn. Het regent en ik wil janken. Deze ochtend had ik een afspraak met Jan P. Een kleine uitgever voor poëzie en lyrisch proza. Ik vond dat ik hem wel een beetje kende (We hebben gemeenschappelijke, digitale vrienden. Geen idee of ze echt bestaan.) dus ik was zo vrijpostig geweest om voor te stellen dat ik mezelf (mijn werk) geheel vrijblijvend zou komen presenteren.

sint-jansplein brussel

Jan ontvangt me maar biedt me geen koffie aan. Hij luistert naar mijn betoog, zucht een paar keer en kijkt me uiteindelijk strak aan.

“Schrijf je al lang?” Dat kan geen goede vraag zijn. Natuurlijk schrijf ik al lang. Al heel mijn leven, Jan, is dat lang genoeg? Mijn gezicht trekt zich in allerlei bochten, er verschijnt geen antwoord op mijn tong.

“Kijk Evy, ik ga eerlijk met je zijn. Ik heb gisteren je blog even doorbladert enne… ik voel het niet. De poëzie die wij uitgeven is toch van een ander niveau. En… hoe zal ik het zeggen… meer modernistisch of zo. Minder hermetisch gesloten. Laat meer ruimte voor verbeelding. Mijn verbeelding. De verbeelding van de lezer. Snap je? Misschien kan je beter kindergedichten gaan schrijven. Ja. Dat zou ik doen als ik jou was. Kinderpoëzie. Daar is nog een markt voor. Alleen, wij geven dat niet uit.”

“Ik wil een bundel schrijven over mijn verdriet, Jan” zeg ik zacht maar dapper.

Jan is niet onder de indruk. Wellicht ben ik niet de enige die dat wil. Misschien houdt Jan niet van drama. Wellicht niet.

“Als dat zo is, Evy” zegt hij echter kordaat “waarom schrijf je dan over zeemeerminnen? Als dat zo is, waarom neem je jezelf dan niet au sérieux?”

Het is geen retorische vraag en ik heb geen antwoord. Weeral niet. Ik knik, ik sta recht, schud hem de hand, mompel iets onverstaanbaars (brok in mijn keel) en ik vertrek. Ik stel me voor dat hij me nakijkt en dat hij zucht. De zoveelste afwijzing van de week. Het kunnen niet allemaal Charlottes Van den Broeck zijn.

En nu sta ik dus hier. Op het Sint-Jansplein in Brussel. Een niemendal. Ik weet niet meer hoe ik hier verzeild ben geraakt. Ik heb de hele voormiddag rondgedoold in deze verschrikkelijke stad. Nagedacht over Jans woorden. Misschien heeft hij wel gelijk. Waarom weiger ik mezelf au sérieux te nemen? Waarom schrijf ik in sprookjes? En over zeemeerminnen? En over Hollanders die mij anijssnoepjes en zoute drop sturen? Echte, serieuze schrijvers, die zouden schrijven dat hun relatie al jaren een schijnvertoning was en nu (eindelijk) aan diggelen ligt en dat dat hun zo verwart en zeer doet dat ze soms amper ademen kunnen. Die zouden schrijven dat ze in al hun verdriet zichzelf in allerlei wanhopige onenightstands zouden storten in de valse overtuiging (gelooft u hen nog?) dat een gebroken hart niet nog meer gebroken kan worden (het kan wel geplet en vergruizeld worden) en dat ze (godverdomme!) recht hebben op een streep avontuur en dat ze bovendien barsten van fysieke begeerte. Dat zouden echte schrijvers schrijven. Maar ik niet. Ik kan niet anders dan mezelf te relativeren. Hoe onbenullig is die ravage achter mijn borstbeen immers niet? Gigantisch. Hoe onbeduidend is het strandjutten tussen mijn persoonlijke brokstukken? Onvoorstelbaar.

Iemand belt me. Het is een vriend. Of ik meega naar een gaybar vanavond? Ik lach. Soms zijn de enige mannen die ik rondom mij verdraag homo’s. Een hele bar vol, lijkt me enig. Onvoorstelbaar enig. Ik kan dan morgen over matrozen schrijven. Dat deed ik nog niet en die passen helemaal in het thema van mijn kinderboek ‘Wulpse sirene zoekt geile kapitein’.

mermaid and captain

Tongenroller

Geplaatst op

00010002

Zeevonken

Geplaatst op

Het vakantiehuis lag prachtig verscholen in de duinen. Op wel twee kilometer van het dorp. Wat hier gebeurde, werd opgepikt door de wind en over de Waddenzee gevoerd om uiteindelijk op te lossen in flarden van piratenverhalen. Zo was er het verhaal van een Vlaamse schrijfster die erotische verhalen tegen betaling schreef voor de Hollandse eigenaar van het huis. Na een aanhoudende writersblock had hij haar hier uitgenodigd om wat inspiratie te komen opsnuiven. Ze had in haar eentje de overzetboot genomen vanuit Lauwersoog, vervolgens had ze de bus gepakt tot aan de laatste halte van de Badweg en uiteindelijk had ze nog twintig minuten door de druipende regen moeten stappen om bij het vakantiehuis aan te komen. Het huis was verlaten. De Hollander had een briefje op de deur gehangen met de boodschap dat hij dringend weggeroepen was maar dat hij de volgende dag zeker terug zou zijn en dat de sleutel onder de mat lag. De schrijfster liet zichzelf binnen, trok haar natte kleren uit en nestelde zich in de hangmat in de woonkamer. Omdat ze al een lange, vermoeiende reis achter de rug had, viel ze bijna onmiddellijk in slaap.

Ze sliep de hele nacht door. In de hangmat. Foetushouding. De volgende ochtend werd ze wakker door het krijsen van zeemeeuwen. In een hoek van de kamer zat een naakte man in een schommelstoel naar haar te kijken. Een lege fles wijn en een overvolle asbak aan zijn voeten. Op de plancher. Maar hij noemde dat een houten vloer. Op zijn schoot lag haar verhalenbundel Boze wolven.

“Ik heb je de hele nacht gelezen”, zei hij met een lage, geruststellende stem.
“Ik weet wat jij nodig hebt. Ik weet wat er met jou aan de hand is. Meisje.”
De schrijfster voelde zich al lang geen meisje meer, maar ze protesteerde niet. Ze brandde bovendien van nieuwsgierigheid om te horen wat hij over haar te zeggen had. Ze vond het al bij al ook wel een beetje lachwekkend. Mannen die denken dat ze je kennen omdat ze je lezen. Hoe intelligent kunnen die zijn? Ze had haar handen onder haar hoofd gelegd. Het binnenvallende licht van de ochtendzon viel op haar borsten. Ze glommen als twee zoete amandelbroodjes. Tenminste dat vond de man in de hoek van de kamer. En hij kon het weten.

“Vertel eens” zei ze glimlachend. “Wat is er aan de hand met mij?” Ze wentelde haar bijeengebrachte knieën en dijen van links naar rechts. Alsof haar benen een schubbenstaart waren.

De man in de hoek van de kamer dacht aan een meermin. Die zag je hier soms. In de vroege ochtend kwamen ze eieren leggen in de duinen. Daar zouden dan later kleine sirenes uit geboren worden. (Mensen denken dat het duinslangen zijn. Omdat ze niet goed kijken.)

De man stak een sigaret op. Inhaleerde de rook tot op de bodem van zijn longen.

“Jij weet niet wat liefde is, meisje. Je denkt dat je het weet, maar elke kronkel van je lijf vertelt me dat je haar zoekt. Dat je nog steeds langs de vloedlijn van het leven loopt, tevergeefs speurend naar zeevonken. Levensvonken. Weet je wat ik ook voel? Als ik naar je kijk? Als ik je lees? Als ik je haren achter je oor strijk en je daar kus om je geur op te snuiven? Leegte. Ik voel een leeg lijf, een leeg hart, een leeg leven.”

De man sprak vol smaak en gearticuleerd. De meermin in de hangmat plukte zijn woorden uit de lucht en plakte ze één voor één op haar bovenlijf. Op haar amandelbroodjes plakte ze ‘leven’ en ‘vonken’, de tussenliggende ‘s’ liet ze sidderen op haar tong. Gelijk een knispersnoepje. Ze lachte. Wentelde haar staart opnieuw van links naar rechts en draaide zich dan op haar zij om hem beter te kunnen zien. Haar hart klopte in haar lippen. Ze ademde een scheut ochtendzeebries in. Zuchtte hem terug uit.

“Wat een onzin” zei ze kordaat (om haar teleurstelling te verbergen). “Je kon niet meer mis zijn. Meneertje. Klein duinenkapiteintje. Mislukte matroos. Zwemmen doe je in zee. Niet in de kwelder. Niet op het strand. Denk je echt dat je mij kent? Omdat je me gelezen hebt? Omdat je mij een hele nacht doorbladert hebt? Kom, verdomme eens van me proeven. Hier in het water. De hangmat was nu een zachte schelp. Eentje die nog uitharden moet. De vloerplanken eronder waren verdwenen of veranderd. In zeegolven.

De meermin ging verder met haar explosieve betoog. Smeet haar woorden als modder naar de man in de hoek van de kamer.

“Er is geen leegte in mij. Splatch. Integendeel. Ik zit met een teveel. Een verschrikkelijk overschot aan bloed en liefde en leven. Splatch. Ik word haast claustrofobisch in mijn lijf. Ik ben een vissenmond die hapt en snakt naar een streep lucht. Splatch. Ik wil overstromen. Liefje. Mag ik je zo noemen? Mag ik je liefje noemen? Dat vind ik zo’n schoon woord. Splatch. Mag ik het op je lijf plakken? Mag ik je kussen? Mag ik mijn kloppende lippen tegen die van jou kleven? Mag ik je woorden in mijn lijf zuigen? Je zinnen? Je bloed? Je verschrikkelijke onwetendheid? Tot de laatste streep lucht in mij verdwenen is? Tot je mij heerlijk en vol overgave (dat bedoelde je, toch?!) overstromen laat? Tot mijn honing jouw lijf bedekt? Zodat je zoet en kleverig dromen kan. Mag ik dat? Liefje? Splatch.”

De man in de hoek van de kamer was extatisch. Hij liet zijn lange tong uit en in zijn mond rollen om de modderspatten van de meermin op te vangen. Als kleine brokjes prooi liet hij elke spat – zonder te kauwen – in zijn keelholte verdwijnen. Zijn bolle ogen verzonken daarbij telkens een beetje dieper in zijn gezicht. Zijn tanden raakten de spatten amper. Plagerig zonder te bijten. Aan zijn mondhoeken verschenen plots twee blazen. Daarmee produceerde hij een bijzonder geil en onweerstaanbaar (tenminste voor de meermin) geluid. De sirene gleed uit haar schelp en zwom naar hem toe. Hij sprong uit zijn stoel (hij had zich al té lang moeten beheersen) en in haar armen. Hun ledematen werden zacht. Als twee weekdieren wentelden zij zich om elkaar heen. Likten elkaar. Tot er een liefdespijl van honing en zoute tranen uit hun lijven schoot, waarlangs ze zich naar beneden lieten tollen. Ze dansten. Draaiden. Likten elkaar warm en zacht. Persten uiteindelijk simultaan een romige, kleverige wolk uit hun geslacht, die ze in elkaar lieten vloeien tot een sidderend wolkendek dat maar op en neer bleef deinen tot de zon bijna onderging, tot de mensen op het strand met hun vliegers verdwenen waren, zich genesteld hadden op een terras in het dorp. Waar ze omhoog keken naar die toch wel heel bijzondere avondlucht waar een sliert van honing doorheen leek te glijden.

zonsondergang

De sirene en de kapitein

Geplaatst op

… De sirene draaide zich om. Ze kon de aanblik van de eenzame man op het eiland niet meer verdragen. Ze huilde. Ze huilde zoveel dikke tranen dat heel de wereld veranderde in zee. Zout water. Eerst werd ze daar nog verdrietiger van, maar na een tijdje besefte ze dat ze nu kon zwemmen naar waar ze wou. Heel de wereld lag aan haar voeten. Stilaan begon ze terug te neuriën, zachtjes en melodieus in een lichte bries. Ze was vergeten hoe mooi ze zingen kon. De sirene liet haar staart elegant in en uit het water golven. Ze zonde op zeebanken waar haar schubben schitterden als parels. Ze kliefde door het water als een pijl.

Op een dag ontmoette de meermin een man in een papieren bootje. Op zijn hoofd stond een gerafelde kapiteinshoed. Zijn huid was bruin getint door de zon. Hij glimlachte naar haar. Zij zwom aftastend rond zijn bootje en gooide een paar voorzichtige noten (zacht en melodieus) naar hem toe. Hij raapte ze op, spande een touwtje van de boeg, over de nok van de papieren mast, naar de achtersteven en hing de noten eraan met venusschelpen. Haar noten wapperden nu boven zijn hoofd. De man legde zich in zijn hangmat, sloot zijn ogen en luisterde hoe de wind er doorheen danste.

De volgende dag en de dagen erna zwom de sirene steeds darteler rond de man in het papieren bootje. En ze gooide hem steeds een handjevol nieuwe noten toe. De kapitein raapte ze telkens op en hing ze één voor één aan de draad, die stilaan in een balk veranderde om het gewicht te kunnen blijven torsen. En als de wind dan door de noten danste en de man in zijn hangmat klom om naar het lied van de meermin te luisteren, dan zwom zij naar een zandbank om daar stilletjes naar de man te kijken. Elke dag werd de zandbank een beetje groter, zodat ze zich steeds meer uitstrekken kon. Na honderd dagen lag ze volledig ontplooid te parelen in de zon.

Maar toen ze de dag erna opnieuw naar haar papieren kapitein zwemmen wou, sloeg het noodlot opnieuw toe: de zandbank was een land geworden dat als een krater gaapte tussen haar en zijn zee. Ze kneep haar ogen tot spleetjes maar ze kon hem niet ontwaren en hij spitste zijn oren tot hoog in de hemel maar er vielen geen nieuwe noten in zijn boot. De kapitein dobberde treurig langs de vloedlijn. De meermin huilde. Ze huilde zoveel dikke tranen dat het land opnieuw in zee veranderde. Zout water. Na zeven nachten van verdriet bleef er enkel zee en een zandbank over. In de verte zag ze haar kapitein in zijn bootje. In de verte hoorde hij haar zingen. Ze zwommen en peddelden onstuimig naar elkaar toe. Tot er slechts enkele meters zee tussen hen in dreef. De meermin stopte plots met zwemmen en watertrappelde ter plekke. Ook de kapitein  staakte het peddelen. Ze keken elkaar lang en droef aan. Ze beseften dat ze enkel in een tranendal samen zouden kunnen zijn. Dat hun geluk haar zou opbranden en hem zou laten vastlopen. Ze wierp hem een laatste noot toe. Hij hing deze finale klank zorgvuldig aan de balk. Haar lied was klaar nu. Ineens ontstak er een hevige wind. Er weerklonk een wilde, jankende treurzang.

De sirene dook diep in het water, zo diep dat haar bloed verstilde. Schubben bedekten haar buik en haar navel, haar borsten, haar schouders, haar armen en ten slotte ook haar hoofd. Haar haren werden zeewier. Haar ogen twee oesterparels.

Niemand heeft ooit nog iets gehoord van de kapitein. Misschien verdronk hij wel van eenzaamheid. Misschien veranderde hij in een zeemonster. Misschien was hij slechts een verzinsel van de meermin.

paper-boats-and-wishes

second part of my life

Geluk volgt uit tevredenheid en tevredenheid is een keuze

In de stilte

berichten en brieven, notities, teksten en radio-werk, tekens van leven en sterven, aanwezigheid en afwezigheid, labo en latrine, liefde en leed.

De Laatste IJsschots

Muziek, film, literatuur, poëzie, theater, podcasts, natuur en media.

Evy Van Eynde

Freelance theatermadam, schrijver, docent & creatieve duizendpoot

Woordzoeker vzw

Muzische, artistieke taaleducatie voor kinderen, jongeren en volwassenen

Het Ontstaan

Hoe de woorden zich bewegen en vorm worden

Kim in de pen blogt

Belevenissen van een maandagskind

Van Mij Naar Jou

Sabine van Deudekom

ben zo terug!

En toen was er...

Niels Hagen, een persoonlijk filosofisch weblog

Over: duurzaamheid, film, kunst, liefde, literatuur, muziek, politiek, sport en wetenschap

Rolf van der Leest

GEBUNDELDE KARAKTERS ALS PROVIAND VOOR DE GEEST

gedacht & gedicht

en soms wat meer gedicht dan gedacht

pazzidiparole.wordpress.com/

Ann Van Dessel - Erwin Steyaert - Hilde Pinnoo

Lettergoesting in avondland

Over kunst en letters en hun plaats in mijn leven

Fotogedichten van Lenjef

Losse gedachten in woord en beeld gevangen ©

Places Unknown

Dmitrii Lezine's Places Unknown is fine art and travel photography from around the world. Enjoy!

Figments of a DuTchess

not noble, just Dutch

Jonas Bruyneel

Literatuur/Journalistiek/Muziek

LouTerLou, I'm telling you

blogs, columns, life

Loessoep

I'd rather be a verb than a noun

Margo Hermans

Blog what you live; don't live to blog.

Lettersmid

Vindt (de) zin

Goed Gezind

Terug naar de eenvoud

Kluger Hans

Online platform

Waar mijn pen ligt, ben ik thuis

Wherever I lay my pen, that's my home

KING BILLY's REPUBLIC

For whatever it's worth

ilcavallobianco

corri, corri mezza prato

Alowieke

Ik kijk en ik creëer

Stop Shop 2014

we stoppen de shopping waanzin (voor één jaar)

Jean Philip De Tender

everything is a story

kribbels uit mijn leven

een kijk in mijn gedachten en de gebeurtenissen uit mijn dagelijks leven, heel gewone dingen, misschien ook wel heel bijzondere......

Taaldacht

Mijmeringen over de aard en wortels van onze taal

Juliecafmeyer's Blog

Just another WordPress.com site

sarahgoodreau

things and not things.

Door Suzanne

De beleving in al haar facetten

Opmerkelijke Manieren

mijn ervaringen als lid van Mensa

akim a.j. willems

pssst...het menu van deze site vind je dààr in het hoekje = = = = = = = = = > > > >

Groove Garden

Adriaan Kuipers

Spiegelingen

Mijn wereld in spiegelbeeld

Kaat Kladdert

Kaat kladdert erop los

Ketogeen... en... Wat ?

Zelfexperiment van ketogeen..... eten ! En ? Hé ? Ja dat !

%d bloggers liken dit: