RSS feed

Tagarchief: zeemeermin

Sprookje: De Kapitein en de Zeegrietjes

Geplaatst op

Er was eens een eiland. Het bevond zich ergens in een maritiem niemandsland en het werd bewoond door een vreemdsoortig volkje. Eén keer per jaar vierde men er het feest van De Kapitein. Alle brave kinderen van het eiland kregen dan een zakje kwiekwies en zoute kapiteinsnoepjes. De Kapitein had een groot logboek. Daarin stond welke kinderen braaf geweest waren en welke niet. Stoute kinderen werden door de zeegrietjes, de hulpjes van De Kapitein, eerst een minuut lang met hun ondeugende hoofdjes onderwater geduwd en moesten dan met uitgestreken gezicht in een rauwe zee-egel bijten. De zeegrietjes vonden dat reuzeplezant. Ze dansten en huppelden dan blij en dwaas in het rond. Tot De Kapitein riep dat het welletjes geweest was. Iedereen op het eiland schuddebolde dan van het lachen. Wat waren die zeegrietjes toch grappig!

Het feest van De Kapitein was werkelijk de meest magische tijd van het jaar op het eiland. Het was een door iedereen op handen gedragen traditie die van generatie op generatie doorgegeven werd, hoewel er weinig consensus bestond over de precieze oorsprong van het feest.

eiland

De meeste stemmen riepen luid dat De Kapitein een edelmoedig zeeman geweest was die een hele reddingsvloot ontheemden uit zee gevist had en hen een eerlijke job aangeboden had. Die heimlozen waren in de loop der tijden veranderd in zeegrietjes door hun dieet van anemonen én doordat ze zich in curvy bochten moesten wringen als ze via het toilet in de huizen kropen om daar de kwiekwies en de kapiteinsnoepjes neer te leggen voor de brave kindertjes. Dat begreep het kleinste kind. Wie constant door toiletten kruipt, wordt curvy, blond en doldwaas. Waarom De Kapitein zelf geen gedaanteverwisseling ondergaan had, wist men eigenlijk niet. Misschien kroop hij niet door het toilet? Misschien deed één van de zeegrietjes gewoon de voordeur open met de sleutel? Misschien dat die zeegrietjes het geboortekanaal eerst zo uitholden en oprekten, dat hij er gewoon doorheen floepte zonder dat hij maar een wand raakte? Het zou kunnen. Men was het er niet over eens.

Er was echter ook een klein groepje eilanders dat beweerde dat De Kapitein de laatste overlevende geweest was van een schimmig piratenschip en dat de zeegrietjes in feite zeemeerminnen representeerden, die De Kapitein – in een laatste, wanhopige poging zijn schip te bestieren zonder bemanning – gevangen genomen had toen ze weerloos op een rots lagen te zonnebaden. De ronde welvingen, de lange blonde golven op hun hoofd en de nauwaansluitende pareljurkjes van de zeegrietjes herinnerden daar nog aan. Ze vonden het toiletverhaal totaal bij de haren gegrepen. Maar die groep was bevooroordeeld. Men beweerde dat het nazaten waren van een school meerminnen wiens rotsen te glibberig geworden waren en die hun toevlucht – ooit heel lang geleden – gezocht hadden op hun vruchtbare eiland. Of waren ze nu naar hun eiland getransporteerd om er goedkope eieren te leggen? Ook dat detail leek in nevelen gehuld. In elk geval: dat soort mensen ziet spoken! Beweerde men.

Ten slotte was er een derde, snel aanwassende groep die de hele rataplan van de mythe van De Kapitein – de toiletkronkels, de reddingsactie, de selectieve metamorfose – besprenkelde met een flinke snuf imaginair cultuurwortelspoeder en het sprookje bombardeerde tot het enige, échte ontstaansverhaal van hun eiland. De edelmoedigheid van De Kapitein sprak ook vandaag de dag nog uit de unieke aard van het eiland en zijn bewoners. En al wie daartegen was, mocht vertrekken! Zeker die belachelijke zeemeerminnazaten. Dat ze verdomme terug naar hun glibberrots gingen! En dan gooiden ze rotte kwiekwie-eieren naar de hoofden van de zeemeerminnazaten, luidkelend: Pak aan, Zeegriet! Lekker glibberig! Dat heb je graag, toch?! Hahahahahaahahahaha. Het was allemaal ook maar om te lachen natuurlijk.

En weet je, ach, het waren eigenlijk ook maar details. Details van een verhaal dat eigenlijk ook helemaal niet waar was. Het was gewoon een kinderfeest. Een leugentje om de stoute kinders onder de knoet te houden. En de brave kinders… nu ja, te bedotten met kado’s. Dat is toch wat volgroeide eilanders doen?! Of niet soms?

Steenslang (een sprookje)

Geplaatst op

Wist je dat elk sprookje in feite een transformatieverhaal is? Zo ook het sprookje van de meermin. De meermin is een fabeldier. Half mens, half vis. Half warm en broos, half kil en gepantserd. Maar wist je ook dat de meermin in een vorig leven een ander fabeldier was? En dat ze dus transformeerde in een meermin? …

Er was eens een steenslang. Met de kop van een bok en het achterlijf van een slang. Met een koppig gewei en een sensuele, dansende staart. Onwrikbaar en tegelijk wispelturig. Dwars maar charmant. Onweerstaanbaar dwars maar charmant. Man en vrouw.

De steenslang leefde aanvankelijk hoog in de bergen. Waar een wilde rivier in alle sereniteit ontsprong. Drie keer per dag laafde de steenslang zich aan het bronwater. De rest van de dag lag het dier met zijn kop in de schaduw van de berg, met haar staart in de zon. En zo kwam het dat de steenslangs gedachten steeds kwieker en spitsvondiger werden. En zo kwam het ook dat de steenslangs staart steeds vuriger werd.

In het bergbeekje leefde ook waterelfen. Fabelachtige wezens die er steeds anders uitzagen. Afhankelijk van wie hen bekeek. Soms leken ze op een draak. Vurig en massief. Of op een doodshoofdaapje. Speels en onbetrouwbaar. En als je heel goed en lang tuurde zag je soms eentje die leek op een panter. Wilskrachtig en teder. Maar die laatste waren erg zeldzaam en de steenslang had er nog nooit zo één ontmoet. Of had niet goed gekeken.

Op een dag sprak een aapwaterelf de steenslang aan terwijl die laatste zich te goed deed aan het frisse water van de beek.

“Kom je niet zwemmen?” vroeg de elf.

De steenslang verschrok zich. Wie wilde er nu met een steenslang praten? Wie wilde er nu met een steenslang zwemmen? Dus de steenslang vroeg:

“Waarom zou ik zwemmen als ik springen en kronkelen kan?”

De waterelf lachte. Wat een domme vraag, dacht ie.

“Omdat zwemmen heerlijk is, domme steenslang. Omdat je dan gewichtloos bent. Omdat het lijkt op vliegen en zweven en dromen. Omdat je dan even helemaal los komt van deze wereld, daarom! En omdat we dat dan samen zouden kunnen doen. Jij en ik. Want weet je… ík kan niet springen en ook niet kronkelen. Samen dingen doen is leuk! En alleen is maar alleen. Toch?!”

De steenslang wist het niet zo goed. Het gewei op zijn hoofd schudde hard van nee. Het vurige puntje van haar onderlijf zwiepte van ja. De steenslang had zich nog nooit zo verscheurd gevoeld. Zo tegenstrijdig met zichzelf. En in tegenstrijd moet je compromissen sluiten.

Ons fabeldier plantte zijn gewei dus in de oever en doopte vervolgens haar hartstochtelijke achterlijf in het heerlijke frisse water. De waterelf vond dat geweldig spitsvondig van de steenslang. Ze speelden en spetterden een hele dag in het water, de aapwaterelf en het onderlijf van de steenslang. Tot de elf honger kreeg, een heremietkreeft voorbij zag zwemmen en er als een pijl achteraan ging. De steenslang bleef alleen achter en zag de elf nooit meer terug.

Dagen, weken, maanden gingen voorbij en de steenslangs gedachten werden steeds kwieker. En de steenslangs onderlijf steeds warmbloediger. Bovendien besefte de steenslang nu pas hoe eenzaam het was bovenop de berg. Samen is leuk en alleen is maar alleen, dacht ie, besloot om de loop van het beekje te volgen en daalde langzaam de berg af.

Toen ie ongeveer in het midden van de berg nog eens ging drinken aan het beekje, sprong er ineens opnieuw een waterelf omhoog. Het was een draakwaterelf. Vurig en massief. Bij elk woord dat de elf sprak, vlogen er vonkjes in het rond en werden gigantische waterkeien heen en weer gezwiept.

De steenslang werd toch een beetje bang van de draak en verstopte zich achter een boom. Maar de draak klom uit het water, kuste de steenslang in de nek en zei:

“Sluit je ogen, steenslang. Ik weet de weg. Naar het water, naar het vrije, eindeloze, frisse, onstuimige, overrompelende water waar we onze vurige staarten kunnen blussen. Kom, steenslang, kom mee!”

En de steenslang sloot de ogen. En de steenslang ging mee, sprong in het water, zwom en spetterde en lachte en gierde en had nog nooit zo’n geweldig plezierige dag meegemaakt.

steenslang

“Zo zou ik voor altijd en eeuwig kunnen leven”, sprak de openhartige steenslang. Maar de draak antwoordde niet. De steenslang opende de ogen. De draak was verdwenen. Zijn vlammende lijf was geblust, gedoofd en opgelost in het water.

De steenslang was weer alleen en besloot om nog wat dieper af te dalen van de berg. Misschien dat er aan de benedenstroom wel een panterelfje zou wonen? Ooit had er iemand gezegd (of misschien had de steenslang het wel gewoon gedroomd?) dat als je maar goed genoeg tuurde, dat je die dan zeker ontmoeten zou. Een panterwaterelf. Wilskrachtig en teder. De steenslang kon aan niks anders meer denken. Tuurde dagen en weken en maanden naar de beek. Zijn gewei werd zo broos en slap van het vocht dat het op een dag van zijn hoofd viel en er twee diepe gaten achterbleven op zijn kop. Daar borrelden nu kwieke gedachten uit. Die zwiepte de steenslang met zijn vurige slangenlijf in het rond. Uit elke gedachte groeide een sprookje. Totdat de beek bedolven was onder de verzinsels en de allerallerlaatste panterwaterelf de benen nam naar het ruime sop.

De steenslang begon te janken. Dat had ie daarvoor nog nooit gedaan. Nooit eerder had ie zich zo eenzaam gevoeld. De steenslang jankte zo veel tranen dat alle sprookjes wegvloeiden tot er nog eentje overbleef: het sprookje van de meermin. Het dobberde als een laatste reddingsschuitje het beekje af. De steenslang dacht niet na, sprong en klampte zich uit alle macht vast aan dit allerlaatste sloepje. Ogenblikkelijk groeide er lange, blonde lokken uit zijn kop, zijn knokige romp werd zacht & romig en er groeide een glimmende staartvin aan het uiteinde van zijn lijf. En toen begon het ineens te donderen en te bliksemen (écht waar!) alsof de goden er mee gemoeid waren…
En één van die bliksemschichten trof de steenslang in de rechterhartskamer en schakelde voor altijd zijn mannelijke zijde uit. De steenslang die geen steenslang meer was, was nu een meisje, een meermin. En in die gedaante zette ze koers naar zee en zocht ze meer begeesterd dan ooit naar haar wilskrachtige, tedere panterelf (die misschien niet bestond).

Krabben op de zeebank

Geplaatst op

Terwijl ze daar zo lag, mijmerde de sirene over alle gewaarwordingen van de huid die ze nu missen moest. Je zou het misschien niet verwachten, maar het meest miste ze de sensatie van jeuk en krabben en hoe die twee steeds in elkaar grijpen, hoe het één voortvloeit uit het ander, hoe hun intensiteit simultaan groeit en niet ophoudt te bestaan totdat het vel open ligt. Dat miste ze het allermeest. Meer dan liefkozende strelingen. Meer dan de troost van heet, stromend water. Meer dan een douche van malse regen. Meer dan de frisse prikkel van dauw, gras en aarde onder haar voeten. Meer dan plagerige kussen in haar nek en in haar navel.

De inwisselbaarheid van jeuk en geilheid, zoals die soms in flauwe mopjes werd opgevoerd, irriteerde haar bovendien mateloos. De vergelijking was belachelijk. Als het jeukt moet je krabben. Liefst van al doe je dat zelf. Niks zo vervelend als krabinstructies geven die altijd slecht uitgevoerd worden. Vooral omdat de jeukprikkel elke instructie voorafgaat en uitdaagt door te blijven verspringen. Als je geil bent, kan je dat natuurlijk ook zelf oplossen, maar verkies je dat? Zij niet in elk geval, hoewel dat ook lekker kan zijn. Maar verkiesbaar vond ze het niet.

Soms liet ze haar nagels expres groeien om preciezer en dieper te kunnen krabben. Achter haar oren, over haar kneukels, in haar ooghoeken, rondom haar gezicht bij de inplanting van haar haren, in haar liezen, in haar navel, tussen haar lippen, op verspringende plekjes op haar rug, op onvindbare plaatsen rondom haar tenen, daar waar haar schaamhaar opnieuw wilde groeien, diep in haar oren en tegen haar gehemelte. Alle plekjes waren gebaat bij lange, scherpe nagels waarmee je hard en gericht krabben kunt.

De sirene lachte. Herinnerde zich ineens hoe het krabben de jeuk als een warme modderstroom doorheen haar lijf oploste. En hoe heerlijk ze dat vond. Soms was de jeukprikkel zo intens dat ze krabde tot het bloedde. Ze had dan het gevoel dat ze dreef in een warme zee. Ze sloot haar ogen. Zag zichzelf dobberen op het hete Hévíz meer. Tussen de senioren met zonnehoedjes en gekleurde zwembanden. Ze bedacht dat ze weeral vergeten was om zichzelf in te smeren met zonnebrandolie. Straks zou haar vel roze zijn en uiterst gevoelig. Ze vergat telkens waarom dat zo was. Je hoeft ook niet alles te weten.

Nadien zou het vel beginnen jeuken en afblotten. Ze kon zich dan uren bezig houden met zachtjes krabben en velletjes los trekken onder een parasol. Aftersun vond ze maar smerig. Liever deed ze olijfolie of kokosvet op haar tere vel. Smeuïg en aromatisch.

wat-gebeurt-er-met-een-heremietkreeft-als-hij-geen-lege-schelp-of-slakkenhuis-vindt-1358

Een golf klotst tegen de zandbank. Een kille herfstzon steekt moedig haar hoofd boven een wolk uit. Meeuwen krijsen. Een heremietkreeft kruipt eenzaam in zijn schelp. De sirene wacht. En wacht. En wacht. Slijpt alvast haar nagels. En fluistert: En jij? Wat mis jij het allermeest?

Condition of the heart

Geplaatst op

En toen zei de sirene – alsof ze zichzelf opnieuw voor de allereerste keer tegenkwam / ze leidt aan auto-amnesia – : Ik ging zwijgen. Voor eeuwig en altijd. Maar hoezeer ik mijn lippen ook op elkaar pers, je blijft me ontsnappen. Ik leid niet aan auto-amnesia, lieverd, ik leid aan een hartconditie. Ken je dat lied? Condition of the Heart? Haast niemand vindt dat schoon. Maar ik wel. En jij hopelijk ook. Niet dat het zoveel uitmaakt.

Een hartconditie dus. Aangeboren en ongeneeslijk. Lekkende klep. Rode bloedcellen die via die weg tegen de zwaartekracht in door mijn luchtpijp naar boven dwarrelen! Mensen denken dat ik gek ben. Is ook zo. Desalniettemin. Kan ik dus niet zwijgen. Ik zou exploderen. Ontploffen. Dat wil je toch niet. Liever adem ik je in en laat ik liefdesbellen ontsnappen uit mijn mond.

Jij kan dan in die malse bellenregen gaan staan met je armen gespreid zodat er zich soms eentje heel even op je pols (ze zijn goed van temperatuur) nestelen kan om dan ogenblikkelijk uiteen te spatten als je er maar naar kijkt. Vangen is sowieso geen optie. Je mag enkel stiekem gluren. Inslikken is al helemaal uit den boze! Doe dat niet! Ik ben besmettelijk. Voor je het weet staan we met z’n twee rode bloedcellen uit te zweten. Dat zou op zich geen probleem zijn, ware het niet dat mijn vel nog niet is dichtgegroeid.

Ik wacht. En wacht. En wacht.

Op nieuw vel. Liefst geen schubben. Die zijn zo ondoordringbaar. Wil ik niet. Doe mij maar rijstpapier. Met alle risico’s vandien. Ondertussen zal ik je stiekem bedwarrelen. Als jij dat goed vindt tenminste. En anders moet je maar ergens anders gaan staan. Zodat ik je niet meer inademen kan. Eigenlijk is het ook allemaal jouw schuld. Lieverd. Dat is niet erg. Misschien heb jij ook wel een hartconditie? Misschien kan jij niet anders dan dat je opgesnoven moet worden omdat je anders overloopt van jezelf? Nee, dat denk ik niet. Zo narcistisch lijk je me niet. Misschien… tja, kijk, ik weet het ook niet. Ben ook geen dokter. Ook niet van het hart. Misschien moet je het mij gewoon eens een keertje influisteren? Dan delen we alvast een geheim.

En toen ging de sirene languit op haar zandbank liggen. En haar haren woeien als zeewierslierten over haar gezicht. En het kon haar niet schelen dat de zomer vertrokken was en dat de herfst winderig en nat over haar lijf blies, want ze had iets te doen. Iets belangrijks. Ze wachtte. En wachtte. En wachtte.

 
P1100577

 

Wat je niet ziet, bestaat niet

Geplaatst op

Wist je dat zeemeerminnen niet geboren worden maar groeien? Nee, niet zoals een oesterparel. Of een mossel. Zeemeerminnen zijn eigenlijk gedrochten van de onachtzaamheid, de vergetelheid op den duur.

Je zou het kunnen vergelijken met een elektriciteitspaal naast een huis, die haast ongezien begroeid geraakt (van beneden naar boven) met klimop. Aanvankelijk lijken de bronsgroene stronkjes aan de voet van de paal nog op schoenen. Glimmende, elegante schoenen waarmee je dansen gaat. Die je zou willen uitschoppen op een feest omdat je tenen en je hielen erin opgesloten zitten als in een corset. Maar je houdt ze aan, omdat dat toch van je verwacht wordt. En je verbijt het ongemak, de opgeslotenheid. Je doet alsof het schoentje past. Je doet alsof je op wolken loopt.

Na een tijdje beginnen die schoenen te groeien. Het worden enkellaarsjes. Dat vindt iedereen opwindend en sexy. Dus je houdt ze aan. Je tippelt ermee langs de straat. Omdat je gezien wilt worden. Tussen je tenen groeien ondertussen gevoelloze vliezen, maar dat ziet niemand. En wat je niet ziet, bestaat niet. Je denkt dat je jezelf gerust voor eeuwig en altijd etaleren kan. Dus je tippelt en je draait en je showt en je denkt jezelf helemaal bloot te geven maar in werkelijkheid zijn je vrolijke enkellaarsjes al gegroeid tot lederen broeklaarzen waarmee je door het wad ploetert.

Je heft eerst je hiel op, dan de rest van je zwemvliezen. Je zwoegt je door de modder. In de verte lonkt de zee. Je glimlacht maar tegelijk sterf je een beetje. Je beweeglijkheid komt in gedrang. Je voelt hoe je knieën knikken en zich vastgrijpen aan elkaar. Je glimlacht breder. Je strompelt en je valt op het strand (hoe ver is die zee nog?) en je voelt hoe je dijen, je billen, je geslacht en je venusheuvel begroeid geraken met een zilveren kostuum dat steeds harder glimt in de zon. Je voeten zijn verdwenen. Je hebt nu een onderlijf met een vissenstaart. Het janken staat je nader dan het lachen, maar je wringt je lippen in een grimas en je roept “Zie mij! Zie mij dan toch!”.

Je ligt nu op een zandbank omgeven door zout water. Dat heb je zelf bijeen gejankt.

In de verte dobbert een eenzame man op een eiland. Hij denkt dat zeemeerminnen niet bestaan. Hij denkt dat het mentale constructies zijn. Betonnen elektriciteitspalen die overwoekerd zijn door klimop. Op den duur verbrokkelt zo’n paal en blijft er enkel een klimoppen schacht over. Gelijk een mal bij de verlorenwastechniek (cire perdue). Bij mentale meerminnen is die mal van schubben. Schitterende schubben die je telkens opnieuw kunt vullen met hetzelfde harde, gekunstelde lijf nadat het originele, zachte, wassen lichaam weggevloeid is. Je had er in kunnen duiken als in een rivier. Je had boven water kunnen komen en je had je zware hoofd op het zachte lijf kunnen leggen, maar dat deed je niet. Je wachtte liever tot alle was vergeten was. Verdwenen. Je wachtte liever tot je de mal zelf vullen kon. Met steeds hetzelfde harde, gekunstelde lijf. Zodat je geloven kon dat er niks meer was. Zodat je op een dag het allerlaatste bronzen lijfje tegen de pier smijten kon waar het zonk tot op de bodem van de zee. Zodat je zeggen kon dat het maar een oefening was. En dat het bovendien niet paste in het interieur van je minimalistische eiland.

De meermin kan nu enkel nog zichzelf verzinnen. Warm, zacht en kneedbaar. In nieuwe handen.

bronzen meermin“Mermaid” – a sculpture by Nina Winters

Sint-Jan

Geplaatst op

Ik sta op het Sint-Jansplein. Nee, niet dat in Antwerpen, dat in Brussel. Ik kan niet verdwaalder zijn. Het regent en ik wil janken. Deze ochtend had ik een afspraak met Jan P. Een kleine uitgever voor poëzie en lyrisch proza. Ik vond dat ik hem wel een beetje kende (We hebben gemeenschappelijke, digitale vrienden. Geen idee of ze echt bestaan.) dus ik was zo vrijpostig geweest om voor te stellen dat ik mezelf (mijn werk) geheel vrijblijvend zou komen presenteren.

sint-jansplein brussel

Jan ontvangt me maar biedt me geen koffie aan. Hij luistert naar mijn betoog, zucht een paar keer en kijkt me uiteindelijk strak aan.

“Schrijf je al lang?” Dat kan geen goede vraag zijn. Natuurlijk schrijf ik al lang. Al heel mijn leven, Jan, is dat lang genoeg? Mijn gezicht trekt zich in allerlei bochten, er verschijnt geen antwoord op mijn tong.

“Kijk Evy, ik ga eerlijk met je zijn. Ik heb gisteren je blog even doorbladert enne… ik voel het niet. De poëzie die wij uitgeven is toch van een ander niveau. En… hoe zal ik het zeggen… meer modernistisch of zo. Minder hermetisch gesloten. Laat meer ruimte voor verbeelding. Mijn verbeelding. De verbeelding van de lezer. Snap je? Misschien kan je beter kindergedichten gaan schrijven. Ja. Dat zou ik doen als ik jou was. Kinderpoëzie. Daar is nog een markt voor. Alleen, wij geven dat niet uit.”

“Ik wil een bundel schrijven over mijn verdriet, Jan” zeg ik zacht maar dapper.

Jan is niet onder de indruk. Wellicht ben ik niet de enige die dat wil. Misschien houdt Jan niet van drama. Wellicht niet.

“Als dat zo is, Evy” zegt hij echter kordaat “waarom schrijf je dan over zeemeerminnen? Als dat zo is, waarom neem je jezelf dan niet au sérieux?”

Het is geen retorische vraag en ik heb geen antwoord. Weeral niet. Ik knik, ik sta recht, schud hem de hand, mompel iets onverstaanbaars (brok in mijn keel) en ik vertrek. Ik stel me voor dat hij me nakijkt en dat hij zucht. De zoveelste afwijzing van de week. Het kunnen niet allemaal Charlottes Van den Broeck zijn.

En nu sta ik dus hier. Op het Sint-Jansplein in Brussel. Een niemendal. Ik weet niet meer hoe ik hier verzeild ben geraakt. Ik heb de hele voormiddag rondgedoold in deze verschrikkelijke stad. Nagedacht over Jans woorden. Misschien heeft hij wel gelijk. Waarom weiger ik mezelf au sérieux te nemen? Waarom schrijf ik in sprookjes? En over zeemeerminnen? En over Hollanders die mij anijssnoepjes en zoute drop sturen? Echte, serieuze schrijvers, die zouden schrijven dat hun relatie al jaren een schijnvertoning was en nu (eindelijk) aan diggelen ligt en dat dat hun zo verwart en zeer doet dat ze soms amper ademen kunnen. Die zouden schrijven dat ze in al hun verdriet zichzelf in allerlei wanhopige onenightstands zouden storten in de valse overtuiging (gelooft u hen nog?) dat een gebroken hart niet nog meer gebroken kan worden (het kan wel geplet en vergruizeld worden) en dat ze (godverdomme!) recht hebben op een streep avontuur en dat ze bovendien barsten van fysieke begeerte. Dat zouden echte schrijvers schrijven. Maar ik niet. Ik kan niet anders dan mezelf te relativeren. Hoe onbenullig is die ravage achter mijn borstbeen immers niet? Gigantisch. Hoe onbeduidend is het strandjutten tussen mijn persoonlijke brokstukken? Onvoorstelbaar.

Iemand belt me. Het is een vriend. Of ik meega naar een gaybar vanavond? Ik lach. Soms zijn de enige mannen die ik rondom mij verdraag homo’s. Een hele bar vol, lijkt me enig. Onvoorstelbaar enig. Ik kan dan morgen over matrozen schrijven. Dat deed ik nog niet en die passen helemaal in het thema van mijn kinderboek ‘Wulpse sirene zoekt geile kapitein’.

mermaid and captain

Tongenroller

Geplaatst op

00010002

A Fetish For Poetry

we write the streets

Verwoede noten

Hoge noten, lage noten en alles daartussen

De Taalfluisteraar

Interessante, leuke, toffe en bijwijlen humoristische stukjes over taal

POETRY

| WRITTEN BY KRAGE

//Vensters

kunstmagazine

THE DREAM LIFE OF BALSO SNELL

Gedachtegewemel over boeken en auteurs

second part of my life

Geluk volgt uit tevredenheid en tevredenheid is een keuze

In de stilte

berichten en brieven, notities, teksten en radio-werk, tekens van leven en sterven, aanwezigheid en afwezigheid, labo en latrine, liefde en leed.

De Laatste IJsschots

Muziek, film, literatuur, poëzie, theater, podcasts, natuur en media.

Evy Van Eynde

Freelance theatermadam, schrijver, docent & creatieve duizendpoot

Woordzoeker vzw

Muzische, artistieke taaleducatie voor kinderen, jongeren en volwassenen

Het Ontstaan

Hoe de woorden zich bewegen en vorm worden

Roos van rijswijk

Schrijft, presenteert, interviewt, coacht en organiseert

Kim in de pen blogt

Belevenissen van een maandagskind

Van Mij Naar Jou

Schrijfsels en Fotografie van Sabine

ben zo terug!

En toen was er...

Niels Hagen, een persoonlijk filosofisch weblog

Over: duurzaamheid, film, kunst, liefde, literatuur, muziek, politiek, sport en wetenschap

Rolf van der Leest

GEBUNDELDE KARAKTERS ALS PROVIAND VOOR DE GEEST

pazzidiparole.wordpress.com/

Ann Van Dessel - Erwin Steyaert - Hilde Pinnoo

LETTERgoesting en kunstZINNIG

“Art is not what you see, but what you make others see.” ― Edgar Degas

Fotogedichten van Lenjef

Losse gedachten in woord en beeld gevangen ©

Figments of a DuTchess

not noble, just Dutch

LouTerLou, I'm telling you

blogs, columns, life

Loessoep

I'd rather be a verb than a noun

Margo Hermans

Blog what you live; don't live to blog.

Goed Gezind

Terug naar de eenvoud

Kluger Hans

Online platform

Waar mijn pen ligt, ben ik thuis

Wherever I lay my pen, that's my home

KING BILLY's REPUBLIC

For whatever it's worth

ilcavallobianco

corri, corri mezza prato

Alowieke

Een kleurrijk wandelprotest tegen de rotgang der dingen

Stop Shop 2014

we stoppen de shopping waanzin (voor één jaar)

Jean Philip De Tender

everything is a story

Taaldacht

Mijmeringen over de aard en wortels van onze taal

Juliecafmeyer's Blog

Just another WordPress.com site

sarahgoodreau

things and not things.

Door Suzanne

De beleving in al haar facetten

Opmerkelijke Manieren

mijn ervaringen als lid van Mensa

akim a.j. willems' blog

(zocht je mijn website? even doorsurfen naar www.akimwillems.be)

Groove Garden

Adriaan Kuipers

Spiegelingen

Mijn wereld in spiegelbeeld

%d bloggers liken dit: