RSS Feed

Tagarchief: stilte

Stapel

Geplaatst op
Stapel

De stilte tussen ons was geëvolueerd. Van kwellende minuten over ongemakkelijke lichtjaren tot wat het nu geworden was: glijmiddel. We zaten tegenover elkaar. Roerden in onze koffie. En we gleden. Terug in de tijd die altijd opnieuw geboren werd. En naar de toekomst die we altijd voorvoeld hadden.

We deden onze ogen simultaan open. Bestelden een nieuwe, hete koffie. Geertje duwde het melkpotje en de twee klontjes suiker naar het midden van de tafel. Wat een verspilling. Wist men na al die tijd nog steeds niet dat ze een zwartdrinker was? Of dacht men dat dat op elk ogenblik veranderen kon? Wij wisten dat dat niet zo was.

Weet je, zegt Geertje. Je moet het leven, de werkelijkheid bekijken in panoramazicht. Als één geheel. Doorzichtige tijdvlakken die op elkaar gestapeld zijn. Je ziet elk vlak maar tegelijk zie je ook de stapel. Dat scheelt een hoop ergernissen. Laat het gepeupel maar discussiëren over onbestaande betekenislagen, de stapel wankelt niet. Dat is een fijne gedachte.

Ik frons mijn voorhoofd. Probeer af te dalen in de kelders van mijn brein. Dan zit je in je buik. Mijn ingewanden schreeuwen dat wij het hiermee niet eens zijn. Vrije wil en zo. Liefde. Het steentje en de meander. God. Liefde.

Geertje lacht. Zegt dat ik haar maatstaf ben voor het ordinaire, het banale, het onbeduidende. En bedankt daarvoor. Dat mijn triviale manier van denken haar weerhoudt om lekker gezellig te zijn, een sociaal wezen, een kuddedier, een schaap zeg maar. Dat er best ruimte mag zijn voor the lone wolf, de eenzaat, de kluizenaar in zijn hutje bovenop de stapel. Die zijn vingers kromt tot verrekijkers. De meute ziet aanstormen. De meute de aftocht blazen ziet.

Ze klimt bovenop ons tafeltje. Dat het allemaal de schuld van het verdomde socialisme is, declameert ze. Dat wij ons zouden moeten schamen. Dat we armoede toelaten in onze kudde. Schaam u! Dat we hulpbehoevendheid toelaten. Schaam u! Dat wij waanzinnige ideeën toelaten. Die buiten de stapel onbestaand staan te schaterlachen. Schaam u! Gooi ze uit de kudde! Verf ze zwart! Smijt ze van de stapel! In de eeuwige niksheid. Dobberend. Tussen onbestaande betekenislagen. God de vader. Liefde. Kunst. Vrije wil. Barmhartigheid. De heilige boeken. Weg er-mee!

De mensen kijken naar ons. Dat zouden ze blijven doen. Het heeft en het had en zou nooit zin hebben om haar te bedaren. Deze scène stond gebeiteld. In de stapel. Snap je het nu?

Ik knik. Geertje is gek. Knetter. Stapel. Toeval bestaat niet. Ze kan er niks aan doen. En ik ben banaal. Ordinair. Onbeduidend. Ik ben het meisje uit American Beauty. Maar dan lelijk. Ook dat nog. Ik zou me naakt strippen om gezien te worden, gehoord. Geertje? Ik wil ook wat zeggen. Ik…

We glijden. Naar de dag waarop men Kat met Pruimen serveert. Dat is lekker. Is het altijd al geweest, zegt Geertje. Zie je nu wel?

Een kerstverhaal

Geplaatst op

Alice vouwt haar magere, bleke handen rondom een kop koffie. Koestert de warmte. Kijkt me niet aan. Dat doet ze nooit. In het beste geval kijkt ze door me heen. Meestal staart ze gewoon voor zich uit. Alsof ze inwendig letters bijeen zoekt, aan elkaar rijgt tot woorden. Soms denk ik dat er letters uit haar mond ontsnappen. Dan zie je ze bijvoorbeeld omhoog kringelen uit een heet kopje koffie of uit haar sigaret. De twee dames aan een buurtafeltje gniffelen. Dat ze een paar vijzen mist. Ze niet meer alle vijf op een rij heeft. Dat ze het virus ook te pakken heeft, wellicht. Ik kijk hen strak aan. Ouwe bessen. Het gegniffel stopt abrupt. Alice zucht een flauwe glimlach om haar lippen. Duwt met haar schouders wat lucht omhoog. Nipt van haar koffie.

De stilte. Rijst en valt. Tussen ons. Ik kan het hebben. We kijken gewoon wat naar buiten. Zuchten flauwe glimlachen om onze lippen. Duwen lucht omhoog. Tot tegen onze oorlellen. Daar tintelen verhalen die ze zomaar zou kunnen vertellen.

Ooit dacht ik dat ik de schepper van mijn leven was. Zou ze dan bijvoorbeeld kunnen zeggen. Dat ik met een vingerknip zomaar dood kon zijn. En terug levend. In het beste geval. Dat ik zomaar flauw zou kunnen vallen. Als ik blikken op mezelf priemde. Blikken waarvan ik blozen ging en waarvan mijn hart wild tekeer ging. In mijn keel en dan doorheen mijn bloed, mijn lijf, mijn ingewanden. Gelijk een bassdrum in de disco. Gelijk gefluister onder water. In je hoofd. Kaboem kaboem kaboem. De keet zou elk moment uit zijn voegen kunnen barsten. Dus je danst, je rent, je springt nog wat hoger. En je zweet. Je kijkt je zelf aan in de spiegel. Voelt voorzichtig met je vingertoppen aan de mens die voor je staat. Of ‘ie echt is. En als ‘ie echt is of ‘ie dan barsten zou? Als je met je hoofd er tegenaan zou dreunen. Met briesende neusvleugels. Op een bloeddoorlopen lap tegen de muur. Kaboem. Kaboem. Kaboem.

En dan kijk ik haar beduusd aan. Wat moet je anders? De gniffeldames priemen hun ogen op haar gelaat. Er is geen woord te vinden in de ruimte die zichzelf tegen ons aan plakt. Dus alleman zwijgt. Alice sopt haar oorlellen in zware lucht. Zo erg is dat allemaal niet, zou ze kunnen zeggen. Dat het nu diep verborgen zit in haar hoofd. Onder filterdunne laagjes bewustzijn. Dat het daar nu ligt te slapen. Te wachten op de dood. Dat die niet blijkt te komen in een vingerknip. En dat ze ook niet zomaar terug levend zal zijn. Zoveel staat vast. De schemerzone. Wie had ooit gedacht dat het vagevuur de ergste verschrikking zou zijn? Dat de hel de hemel schijnt. Dat de deur dan eindelijk valt in het slot. Dat de schepper dan schim kan zijn. Vrij. Vluchtig. Onbevreesd voor de zwaartekracht als ‘ie wankelt op de zevende verdieping, in een open raam. Waar armen langs binnen en langs buiten aan je trekken, duwen. Waar stemmen onder water wauwelen dat je niet vliegen kan. Dat je te pletter slaan zal. Dat je als de appel.

Er dwarrelt een pluimpje langs het raam. Het eerste pluimpje van het jaar. Wit en pluizig. Zacht en vederlicht. Zweven op luchtstromen. Dobberen door de ruimte. In je hoofd. En daarbuiten. Onder een fleecedekentje. Op het zomerterras.

Geertje en ik

Geplaatst op

Geertje nipt aan haar koffie. Zwart gelijk de krullenbos op haar hoofd. Ze staart naar een ingebeeld publiek. Doet alsof ik er niet toe doe. Dat ze zo graag al die mensen die zo volmondig een suikervrij bestaan omarmen, behalve wanneer ze iets te vieren hebben of wanneer ze het écht verdienen of moe zijn of een beetje depri of de sleur niet aan kunnen of wanneer ze het gezellig willen maken of wanneer de boog niet gespannen staat of wanneer een kindervriend die eigenlijk niet bestaat in het land is of…dat ze die mensen zó graag zou willen zeggen. Ze nipt nog eens. Kijkt haar publiek doordringend aan. Negeert me nog steeds. Practise what you preach. Or shut up. Dat ze dat zó graag zou willen zeggen. Roepen. Van de hoogste toren.

Er valt een stilte. In duizend stukjes op de tegelvloer van het oude station. We kijken ernaar. Herstellen lijkt een onbegonnen zaak. Toch rapen we elk een paar stukjes op. Kleven ze aan elkaar met een beetje jezekeszalf. Dat lijmt goed. Hele volkeren tegen elkaar. Ik schraap mijn keel. Dat niet iedereen zo sterk is als zij. Dat niet iedereen zulk een freak is gelijk zij. Maar dat laatste blijft ongezegd op de vloer liggen. Ze wimpelt mijn woorden weg. Ver weg. Onzin. We staren een beetje langs elkaar door. Als onze ogen kruisen, trekt ze haar wenkbrouwen bedenkelijk omhoog. Ik ben het verschrikkelijkste publiek dat ze ooit had. Wat moet je met zo’n schaap? Dat niet voor zichzelf denken kan. Wiens leven al op voorhand uitgestippeld werd. Tot de laatste snik. Wat moet je daarmee? Ik durf mijn koekje niet op te eten. We kijken er naar. Geertje zucht. Dat ze het op haar heupen krijgt van mijn beslisseloosheid. Ze scheurt het papiertje open. Neemt het koekje en duwt het in mijn mond. Ik val op de grond. Met koekje en al. Ze komt boven op me zitten. Houdt mijn mond stevig dicht. Dat ik knabbelen moet. En slikken. Knabbelen en slikken. Meer niet. Dat ik het verdien. Dat ik wellicht vandaag een beetje depri ben of de sleur niet aan kan. Dat er een kindervriend in de schouw zit. Dat het hier zo gezellig is. Gezellig. Wij met zijn twee. Geertje en ik.

Ik slik. Lik mijn vingers af. Knik. Dat het inderdaad gezellig is. En dat daar inderdaad een koekje bij hoort. En dat het leven schoon is. En dat we dat best vieren. Vandaag nog. Morgen is het wellicht al te laat.

Ze bestelt nog een koffie. Zwart gelijk de krullenbos op haar hoofd. We staren de stilte wakker. Zeggen nooit nog een woord.

Steenzaam

Geplaatst op

Steenzaam

Tussen wervels krimpt de stem

tot het laatste stof gesproken is.

Syllaben leggen zich neer, steenzaam

 

bij de stilte. De rug zwijgt zich krom.

Spant het vel rond de ribbenkast.

Strekt niet meer

 

uit over klavervelden. Het hoofd daalt in

schouderbladen, onbeschreven stolt

zijn blik, tentakels op ’t klavier

 

tot het marmer barst, moedervlekken

het kind verlaten, poriën sluiten

met klatergoud.

 

Binnen smeult het vuur

nog na, smelt

samen met de rotswand.

 

Zilverwilg

Geplaatst op

zilverwilg

Je werpt schaduw over rimpels

een mantel in de tocht

waar sleet sluipt, stilte

vreet aan elk gesprek

 

Het loof om je schouders

zilveren schubben in je nek

Je staat van verdienste

opmerkelijk

 

Ik kaats kiezels

in je weerglans

licht op de steiger

danst een blaadje in de wind

Marginale kost

Geplaatst op

Als een school vissen vloeien wij gestroomlijnd de trap af. Opstuimende jassen boven ons hoofd. Het nasidderen van de bel brandt in onze benen. Echo’s van kinderstemmen rollen als schuim naar beneden, werpen schelpen op het strand.

Er heerst rumoer voor de stiltestorm in de refter. Vooraan blinkt een micro. Staat statig als een metalen reiger op één been. Stokstijf. Bestand tegen windvlagen.

Ik passeer de middagsectie. Hier heb ik ook nog gezeten. Ik herinner me vooral de vol-au-vent. Dat zijn gekookte vleesballen in brokkenpapsaus. Op een keer zaten Ronny en ik de brij moeizaam naar binnen te werken. Meester B. tikte met zijn goudgele stinkvingers zenuwachtig op tafel. We kauwen in de maat. Laten de marginale kost door onze kelen glijden. Ronny’s maag protesteert. Ronkende oergeluiden stijgen op uit zijn lijf. Hij knijpt zijn neus dicht. Zijn stroot weigert te slikken. Een tegenwaartse stroom duwt het hele zootje omhoog, zet zijn keelgat open en loost de onverteerde vleespap terug in zijn bord. We janken, Ronny en ik. Wachten op de bel. Kweken metershoge huid om in te schuilen.

Gelukkig bleek twee maal per dag middag eten nefast voor mijn mollige lijf. Ik werd overgeplaatst naar de soepsectie. Hoerenchance: Er was een tafeloverste-plek vrijgekomen, ik was tien en volwassen voor mijn leeftijd. Bovendien had ik een blanco strafblad. De geknipte kandidaat dus voor het postje.

Het kon me geen zier schelen dat mijn onderdanen behoorden tot de zielepoten van de school. De middagsectie, daar zaten de gegoede marginalen. De broodsectie, dat was het krapuul. De soepsectie, dat waren wij. De brillekoppen. De dikzakken. De strontvliegen met stinkkaas tussen hun tenen. Ik nam het er graag bij. Alles beter dan vol-au-vent slikken op het tikken van goudgele nagels. Of onder dreigende ogen van het boterhammengespuis je brooddoos leeg vreten. Dit was mijn troon. En ik zou hem niet afgeven tot ik hier wegging.

Gepiep. We maken spleetjes van ogen, steken vingers in oren. De reiger staat op zijn poot, onwankelbaar. Juf L. schraapt haar keel. In haar rechter hand heeft ze een pollepel vast. Daarmee aait ze haar linker handpalm. Als je goed luistert, hoor je hoe de reiger haar streling echoot tot een fluisterend dreigement:

  • Iedereen eet zijn bord of zijn brooddoos leeg
  • Wie nog naar wc moet, had daar eerder aan moeten denken
  • Stilte aan tafel
  • Eet smakelijk

We vallen aan. Boterhammen soppen in soep. Doorspoelen met lauwe chocomelk uit een flesje dat stinkt naar zure regen. Dat had je toen nog. Flesjes die stonken naar zure regen.

Juf L. marcheert door het refterpad. Haar linker handpalm wordt geaaid. We kauwen, slikken, likken op het klakken van haar schoenen. Haar blik rolt over tafels. Dreigend stapt ze voorbij,  zoekt naar stiltebrekers. Vindt ze er één, dan dreunt de pollepel tussen de borden. Meermaals. Proppen zilverpapier vliegen in de lucht. Je duikt naar beneden om de kogels te ontwijken. Je handen op je hoofd. Je blik in de soep.

Wie de stilte opnieuw breekt wordt verbannen naar de galgenpilaar. Twee massieve zuilen stutten de rust in de refter. Oproerkraaiers worden door de reiger uit het nest gehaald, gevolgd door honderd kleine oogjes en vastgeketend aan de pilaar. Dat wrede lot is me gespaard gebleven. Ik zat op mijn troon en hield mijn onderdanen in toom, beval mottig Tuurtje om zijn soep op te eten en smeerde mijn zilverpapieren proppen uit over tafel. Vouwde ze tot een mondharmonica die vederzacht mijn lippen kuste. Een diamanten kroon op mijn hoofd. Een zilveren armband. Een verrimpelde spiegel waar verhalen in schuilen. Die je inslikte als de pollepel voorbij kwam. Die jaren later naar boven komen zwemmen. Die je voorleest aan je kinderen. Die je deelt met disgenoten, lezers op je blog.

Anker Tong

Fiction

Woordzoeker vzw

Muzische, artistieke taaleducatie voor kinderen, jongeren en volwassenen

Het Ontstaan

Hoe de woorden zich bewegen en vorm worden

Kim in de pen blogt

Belevenissen van een maandagskind

ben zo terug!

En toen was er...

Niels Hagen, een persoonlijk filosofisch weblog

Over: duurzaamheid, film, kunst, liefde, literatuur, muziek, politiek, sport en wetenschap

Rolf van der Leest

Gebundelde karakters als proviand voor de geest

gedacht & gedicht

en soms wat meer gedicht dan gedacht

pazzidiparole.wordpress.com/

Ann Van Dessel - Daniel Billiet - Erwin Steyaert - Hilde Pinnoo

Lettergoesting

Over kunst en letters en hun plaats in mijn leven

Fotogedichten van Lenjef

Losse gedachten in woord en beeld gevangen ©

Places Unknown

Dmitrii Lezine's Places Unknown is fine art and travel photography from around the world. Enjoy!

Figments of a DuTchess

not noble, just Dutch

Jonas Bruyneel

Literatuur/Journalistiek/Muziek

LouTerLou, I'm telling you

blogs, columns, life

Loessoep

I'd rather be a verb than a noun

Margo Hermans

Blog what you live; don't live to blog.

Lettersmid

Vindt (de) zin

Goed Gezind

Terug naar de eenvoud

Kluger Hans

Online platform

KING BILLY's REPUBLIC

For whatever it's worth

ilcavallobianco

corri, corri mezza prato

Alowieke

Ik kijk en ik creëer

Stop Shop 2014

we stoppen de shopping waanzin (voor één jaar)

Land van Eden

Of hoe we anders kunnen leven en denken.

Jean Philip De Tender

alles is een verhaal

kribbels uit mijn leven

een kijk in mijn gedachten en de gebeurtenissen uit mijn dagelijks leven, heel gewone dingen, misschien ook wel heel bijzondere......

Taaldacht

Mijmeringen over de aard en wortels van onze taal

Take This Now

Don't let yesterday use up too much of today

Juliecafmeyer's Blog

Just another WordPress.com site

sarahgoodreau

things and not things.

Door Suzanne

De beleving in al haar facetten

Opmerkelijke Manieren

mijn ervaringen als lid van Mensa

akim a.j. willems

pssst...het menu van deze site vind je dààr in het hoekje = = = = = = = = = > > > >

Groove Garden

Adriaan Kuipers

Spiegelingen

Mijn wereld in spiegelbeeld

Kaat Kladdert

Kaat kladdert erop los

Ketogeen... en... Wat ?

Zelfexperiment van ketogeen..... eten ! En ? Hé ? Ja dat !

Leen Huet

Leen Huets blog

%d bloggers liken dit: