RSS Feed

Tagarchief: god

Knokenkooi

Geplaatst op

Weet je, zegt ze. Ik ben het oneens. Met wat, denk ik. Je bent het oneens met wat? Geertje? Ze schraapt haar keel, laat er zwarte koffie door glijden, kijkt me resoluut aan en begint dan aan haar verhaal.

Men beweert dat wij gemeenschapsdieren zijn. (Ik verwacht nu een fabel waarin ik in de kudde woon en waarin zij mij en de rest van mijn imbeciele graasroedel vanaf een hoger gelegen punt – een heuvel, een schuurtje op een berg, een boom op een rotsformatie – aanschouwt.) Die queeste naar gemeenschappelijkheid. Gemeenschappelijkheden. Dát. Ik ben het daarmee oneens.

Ik knik. Denk dat ik weet waarover ze spreekt. Jij bent liever uniek. Zeg ik. Jij, jij bent liever geen schaap. Is het niet, Geertje?

Ze verslikt zich. In haar hete koffie. Kijkt me aan alsof ze het hoort donderen in Keulen en ver daarbuiten. Herpakt zich. Denkt wellicht dat ik zo imbeciel geboren ben. Dat ik er niks aan kan doen.

Ik denk, zegt ze. Dat niet gemeenschappelijkheid, maar afzonderlijkheid onze meest fundamentele eigenschap is. Onze conditio sine qua non. Dat wij maar kunnen leven in die afzonderlijkheid, als in een kooitje. Waarvan de spijlen gemaakt zijn van knook, waarvan het glas doorzichtig vel is. Totaal afgezonderd van de wereld, als een museumobject, losgerukt uit zijn natuurlijke omgeving. Die wij ondertussen vergeten zijn. Is het de ruimte? Is het ergens één of ander hol, diep in de aarde? Is het in ons onderbewustzijn? Hoe ontheemd kun je zijn? Als je niet meer weet waar je vandaan komt? Enkel de afzonderlijkheid redt ons van de waanzin van de ons omringende chaos. Breek het kooitje en we versmelten in pure gemeenschappelijkheid met de wereld.

Dood, noemt men dat. Morsdood.

door het raam

Ik denk aan wolkenslierten. Aan het spel van licht en schaduw in mijn woonkamer. Aan water. Aan mazelen. Aan badschuim op mijn glas. Aan gekietel aan mijn spijlen. Aan melk in koffie. Aan al wat vervloeit.

En verdwijnt! Vult ze aan. Alles wat vervloeit én dus verdwijnt.

Kan je denken aan wat niet is? God. Opper ik. Fantoompijn.

We drinken onze koffie leeg. Staren. In de ruimte. Waar mijn gedachten versmelten met die van haar. Waar ze verdwijnen. In de leegte van onze gemeenschappelijkheid.

Advertenties

Het prinsje, De Stroman en ik

Geplaatst op

Sluit je ogen. Ik ga een sprookje vertellen. Er was eens…

… een prinsje. In een parelmoeren baldakijn wordt hij naar binnen gedragen. Zwevend, als Aladdin op zijn mat, nadert hij het symfonische trio aan het hoogaltaar. Bouzouki, keys & gezang op stiletto’s. In een magische cirkel van tenen manden. Het gesis, oorverdovend. Bezwerend. Opzwepend. Applaus zwelt aan waar de troonhemel voorbij schrijdt.

De moeder van het prinsje, als een bruid. De zussen, als haar gevolg. Broers, fier in kostuum. Op de drempel van viriliteit. Vader, aanschouwend. Aan de mannenzijde bij de toog. Tantes, nichten, buurvrouwen: glimmend, schitterend met plastic parels en nepzijden japonnen. Wapperende manen in strakke, blinkende soulwaxgolven. Of ingewikkeld. In klatergouden voiles. Satijnen sluiers. Als een toren op hun hoofd. Tiara’s op stiletto’s. Dansend voor het altaar. In een kring van ingewijden. Glimlachend. Schitterlachend. Sprankellachend. De oma’s, sober. Berustend. Ingekapseld aan het tafeleinde. Kinderen, samentroepend. Minimoedertjes slepen de kleintjes mee, drogen reeds tranen, schudden een stuk kind van zich af. Minimannen klimmen en dalen in een nog niet volledig uitgekristalliseerde hiërarchie. Maar vandaag is het prinsje alfaman. Vandaag zwaait hij zijn degen. Vandaag strooien wij rozenblaadjes voor zijn schitterende voeten.

Heel even, ben ik ook wij. Als ik goed kijk, slurp, proef. Duik ik er met lijf en leden in. Heel even maar want ik zit op het onzichtbare bankje. De kijktribune achter glas. Wat gebeurt er in deze parallelle dimensie? Welke wetten gelden hier? Kan ik het wachtwoord krijgen? Vereist dat een offer? Hoeveel bloed wil ik vergieten voor een introductie? Een nieuwe identiteit? Dobbelende grotmannen. Maffiaclans. Bekokstovende bokkenrijders. Steigerende amazones. Passeren in die volgorde mijn hersenpan.

Aan mijn zijde: andere niet- & clandestien genodigden. Curieuzeneuzen. Voyeurs. De Stroman. Hij aait zijn baard. Draait er een staartje aan. Suikerspin voor de kindjes. Je moet iets doen om ze zoet te houden. Ben jij niet onzichtbaar? Vraag ik. Ben jij niet louter idee? Moeten mijn ogen niet ontploffen nu ik jou aanschouwd heb? De Stroman lacht. Spiegelglas, meisje. Zien zonder gezien te worden. Snap je het nu? Zie ze dansen! Als clowns. Als ontmaskerde Farizeeërs. In een line-up. Wie zal ik eruit halen? Ze lijken allemaal zo op elkaar. Vind je ook niet? Ik knik. Dat is omdat het andere, het vreemde altijd baadt in een vage waas. Individuele trekken verdwijnen. Stereotype kenmerken komen in de plaats. Het plaatje lijkt te kloppen, maar is zo kunstmatig, zo plastic als Bertrand. Die kent de Stroman niet. Hij zweeft tussen culturen. Hij hoort overal en nergens thuis. Hij is een schim. Een zoethoudertje voor de kinderen. Zegt hij. Och, alles went.

Iemand brengt ons baklava. Met pistachenootjes. We eten en likken onze onzichtbare vingers af. Wasemen onze onzichtbare gedachten tegen de spiegel. Tekenen er een hartje in. Krassen onze initialen in het glas. Op een afstand. Lichtjaren verwijderd van de grot. Achter de spiegel. Treffen wij elkaar. Wie had dat ooit gedacht? Ik niet alleszins. Maar ik doe er niet toe. En hij doet er niet toe. Wij zijn lijdend voorwerp in deze zin. In dit verhaal. Wij denken niet, wij worden gedacht. Wij scheppen niet, wij worden geschapen.

Kijk eens achter je, zegt de Stroman. Daar zitten wij. Achterom kijkend. Naar onszelf. Achterom kijkend. Naar onszelf. Achterom kijkend. Naar onszelf. Een eindeloos landschap van spiegelende herinneringen. Kom, laat ons dansen! Roept de Stroman. Laat ons dansen alsof niemand ons ziet! Laat ons kussen! Ja, dat ook! Laat ons vrijen onder een blote sterrenhemel! Laat ons vrij zijn!

Zien zonder gezien te worden. Zegt iemand op de kijktribune. Zie ze dansen. Als clowns. Als ontmaskerde Farizeeërs. In een line-up. Wie zal ik eruit halen? Ze lijken allemaal zo op elkaar.

Denken aan al wat is

Geplaatst op

Ik doe de deur van ons stamcafé open en zie haar al zitten. Je mag zeggen over haar wat je wilt, op tijd komen doet ze. Altijd. Liever nog is ze te vroeg. Controle. De touwtjes in handen. Dat soort dingen.

Ik weet dat zij mij ook ziet. In haar rechterooghoek. Maar opkijken doet ze niet. Ze lepelt haar koffie om en om. Alsof ze haar hersenpan omroert. Ideeën losweekt van de bodem. De smaakmakers van elk verhaal.

Nog voor ik plaatsgenomen heb, schuift ze een boek naar me toe: Denken over al wat is. Tussen de ‘wat’ en de ‘is’ heeft ze in zwarte drukletters ‘NIET’ gepropt: Denken over al wat NIET is, staat er nu.

Is dat niet precies wat we doen? Een retorische vraag. Ik kan maar beter knikken. Al weet ik het nog zo niet. Ik weet niks. Dat weet ik ondertussen. Zij nipt aan haar koffie en vervolgt haar monoloog. Zonder me aan te kijken. Lepelend. Weet je wat wij zijn? Wij zijn kunstenaars, makers, wij vervormen de wereld rondom ons, wij geloven in het onmogelijke, het onbestaande, wij hebben lak aan al wat is, wij willen iets meer, iets waarvan en waar doorheen ons bloed stroomt. Iets wat nog niet bestaat en dat altijd al heeft gedaan. Niks is onmogelijk. Een laagje lak op niks en het is iets. Wij vinden dat het iets is. Dat het iets betekent. Dat het de moeite waard is. Iets om voor te leven en te sterven. De heilige graal. Nondedju. Daar denken wij over, schat. Over niks.

Wat hou ik van haar. Ik slurp van elk woord dat uit haar mond dwarrelt. Fladdert. En met een smak valt op de ijskoude vloer. Het woord dat zin wordt. Sowieso. Waar heeft ze het in gods naam over? Het kan me niks schelen. Poëzie moet je drinken. Of rechtstreeks in het bloed.

Het ergerlijke aan heel die kwestie – ze kijkt me nu strak aan – is dat we:

1) dat een bijzondere gave vinden (de Maker is groot!)
2) aureolen kleven boven deze lagen lak (blijf met je fikken van mijn Sprookje!)
3) niet beseffen dat we dit constant doen (geloof jij nog in Sprookjes?)

Constant. Niet enkel in het keramiekatelier. Wij beduvelen onszelf dag in, dag uit met maakseltjes. Laagjes lak. Lucht. Gebakken als het kan. Omdat we dat waard zijn. Wij verdienen een hemel, een dak boven het hoofd van wat is. Wij verdienen tempels en goden. Wij verdienen troost. Schoonheid. Een sprookjesleven. Met tentakels tussen lang geleden en ooit ver weg. Daarover koorddansen wij. Balancerend. Over ingebeelde spinnenwebben. Zijden draadjes. En terwijl we daar staan. Met de diepte onder ons en geen baldakijn, geen wolk om ons aan vast te grijpen, nemen wij ons sabel en we meppen. We meppen alle andere elfen, kabouters, kruisvaarders die ons de weg versperren, neer. Want wij zijn godverdomme op weg. Naar alles wat niet is.

Er was eens – ze beglimlacht me breed – een man die neerpende dat de zonsondergang is zoals het laatste vers van een gedicht. Een filosofische, universele samenvatting van de dag. En hij pende dat zo verschrikkelijk poëtisch – profetisch bijna en ook wel met een tikkeltje romantiek in zijn stem – neer dat iedereen hem geloofde. En de zonsondergang werd vers en de dag poëzie. En wij geloven dat. Het gebeurt immers voor onze ogen. In onze buik knettert die waarheid met een onweerstaanbare, ondraaglijke leegte.

Omdat het lak is. Liefje. Lak waaraan wij ons denken, onze spierkracht, onze liefde verspillen. Drup, drup, drup. Liters bloed, zweet en tranen. Voel je ze uit je poriën kruipen? Want ook jouw creatie is heilig. Plak er een gouden nimbus boven. Een verblindende stralenkrans. Een aureool. Zodat je niks meer ziet. Want daar buiten is het koud en gevaarlijk. Daar buiten heerst chaos en willekeur. Daar buiten zijn wij overgeleverd aan de meedogenloze tijdloosheid van al wat is.

Ze slurpt haar koffie in één teug naar binnen. Schudt met haar hoofd en met haar schouders. Slikt. Staart een antwoord uit mijn strot. Vind je ook niet?

biebklein

Jihad

Geplaatst op

Het is niet onmogelijk dat ik terugkeer
op mijn schreden, dit doodlopend steegje
achter mij vergeet

hoe ik in miljoenen spiegels keek
waarin ik steeds meer
op iemand anders leek, een vreemde

Het is niet onmogelijk dat ik alles
achter mij verbrand, heilige kaartenhuisjes
platleggen kan, ontheemd

mijn reisroute doorstreep
om opnieuw te beginnen, van vooraf aan
zonder bagage, vooropgesteld plan

Het is niet onmogelijk dat ik mij schrap
op de zevende dag, doe alsof
alles toevallig was

Ieder zijn eigen sprookje

Geplaatst op

We slurpen. Ik smakkend. Het Letterkind met lange tanden. Ik zeg dat er groot onheil dreigen zal als ze haar kom niet leeg eet. Ze fronst haar voorhoofd, kijkt me argwanend aan. Sist OMG, wanneer ga jij eens eindelijk de sprookjes terzijde leggen? Niet, zeg ik. En dat iedereen bovendien recht heeft op zijn eigen sprookje. Gij op dat van u en ik op dat van mij. Ik, schampt ze, geloof niet in sprookjes. Ik haal mijn schouders op. Toch wel. Gij gelooft in god. Sorry, God. Opnieuw vliegen er enkele OMG’s mijn richting uit. Ik duik naar beneden om ze te ontwijken en voel hoe ze mij vanop de schouw, als een rij zwaluwen in het oog houden. En zich tegelijk verwonderen over hun eigen spiegelbeeld in het troebele water waarvan ik slurp. Hoe ze vertrekkensklaar afwachten. Om aan te vallen. In de rug. Ze oppert beledigd dat haar God bestaat en dat mijn sprookjes verzinseltjes zijn. Ik smak. Lekker. Zeker voor een niet-bestaand toverdrankje. Dat doet de deur dicht! Mam! Stop ermee! Ik lach. Smak. Hmmm. Lekker heksensoep. Zeg eens liefje, hoe smaakt jouw godendrank? Aaahhaahaaaagrhhhaaa! Ma-ma! Stop! Ze slaat met haar vuisten op tafel. Heksensoep spat in mijn gezicht. Ik grinnik. Ik zei u toch dat er onheil dreigen zou als ge uw kom niet leeg at? Kijk, nu hangen we allebei vol smeurie. Wat een onheil! Je bent knettergek, mompelt ze. Zet de kom aan haar lippen en drinkt het toverdrankje op. Kwaak. Kwaak. Kijk mam, ik ben in een kikker veranderd. Ben je nu happy? Ik knik. Alles beter dan een gevallen engel, schat.

Aardbei en pruimen

Geplaatst op

Ik was niet langer mijn warmte weg. Het vet dat mij bewaart gelijk parafine gelei. Aardbei en pruimen. Ik sudder in mijn brein. Mijn gedachten zwellen. Tot ze openbarsten als een hoop energie. Je kan dat niet wegkeren. Ook al denk je van wel. Ook al zit je je halve leven te grienen omdat je ooit geen samenhangend geheel meer zal zijn. Het huis verliest zijn mortel, laat verhalen vrij. Het land knarst en breekt op taallinies. Verhaspelt oude leugens tot nieuwe legendes. Waaruit ons zijn identiteit puurt. Waaruit zij verdreven zijn. Verdwenen. De ander. Suddert onder zijn vet. Warmte hoopt op. Borrelt als gelei. Zoet. Heet. Plakkerig. Siroop in je kop. Stop maar met denken. De snelwegen zitten pottoe. Een aderlating dringt zich op. Besparingen. De trein stopt in het midden van het gewest. De randen bevriezen. Worden geamputeerd. Nuchter. Onder de dwingende tonen van een kloppend hart. Je zou toch niet willen exploderen. Dat is zo Arabisch. Dat willen wij niet. God is allang dood. Maar zijn troon blijft leeg. Ze is van ons. En van niemand anders. Liever nog steken wij haar in brand. Dan dat een ander erop zetelen zal. Liever nog doen we alsof er een herinnering over dwarrelt. Een laatste stuiptrek van een oud verhaal. Heidenen zijn we. Moeder aarde. Moeder gods. Alles is zo inwisselbaar. Als je maar gelooft. Dat je van pruimen gelei maken kan. En van aardbeien confituur. Als het maar kleverig is. Zoet. Sudderende troost onder een laagje vet. Ik was niet langer mijn warmte weg. Het is kil buitenhuids.

Mr. Jee

Geplaatst op

Met ons vier stappen we het flatgebouw binnen. Ah zo, dáárom heet dat residentie, zeg ik. Zes vragende ogen kijken me aan. Ja, gewoon, je weet wel. Grote inkomhal, grote inkomhalplanten, vloertegels waarin echo’s verscholen zitten én een ingekaderd reddingsplan. Mam kribbelt weer ideeën neer in haar ingebeeld notitieboekje. Op zich niks mis mee, ware het niet dat ze die dan ook altijd luidop mededeelt. De mensen denken vast dat ze niet goed snik is. Denken de meisjes. Paps haalt zijn schouders op. Vooral negeren. Dan gaat het van zelf wel weer over. Hij schraapt zijn keel. En nu zijn we stil, dames. Paps gaat aanbellen. We leunen met zijn vieren over de menukaart. Zoeken naar…. Jules!

Door de ventilator kraakt een stem. Krikra. Hij schraapt zijn keel. Krikra. Wees welgekomen. U neemt de lift tot op de eerste verdieping en daar wacht ik u op. Spánnend! We hijsen ons naar boven. Leggen onze haren goed in de spiegel. Slikken kikkers door. De deur schuift een beetje afwachtend open. We gluren door de spleet. De spleet wordt breder. Grijze haren verschijnen. Een glimlach.Twee lieve ogen. We stappen uit. Op het einde van de gang brandt er een lichtje. Daar moeten we heen. Jules wacht tot de spleet zich sluit en drijft ons voor zich uit.

– Eerst heb je vijf jaar een kleuter in huis. Dan, ineens wordt die kleuter zes. Nee, stop. Ik begin opnieuw. Eerst heb je een kleuter in huis. Van de ene dag op de andere zit die dreumes een boekje te lezen op wc. Paps…kom eens! Kijk, het kind leest. Vanaf dan slurpt het kind enkel nog letters. Grote letters, kleine letters, reclameletters, banketletters, vermicelliletters, drukletters, rustletters, blije en boze letters. Droomletters, klavierletters, wolkenletters. Nieuwe en oude letters. Het kind slurpt ze allemaal op en slikt ze door. Tot heel het lijfje vol zit met letters. En als ze dan haar mondje opent, dan zwermt daar een troep letters uit. Het kind breit er vraagtekens achter. Ondertussen zoek je in paniek naar de kleuter. Je roept, kijkt onder tafels en stoelen. Maar de kleuter is weg. Komt niet meer terug. In de plaats zit er een vreemd letterkind. Van de ene dag op de andere.

Als het letterkind zes wordt, moet je een beslissing nemen. Gelooft het kind of gelooft het niet? Het kind beweert van wel. Heeft al veel in de bijbel gelezen. Vindt die Mr. Jee een toffe pee. Je laat het kind godsdienst volgen. Voor je het weet zit je in een katholiek groepje dat het communiefeest voorbereidt. Oh, help, het kind is niet gedoopt. Struc-tuur. Stop.

Uit de printer glijden drie kerkdiensten. Ik zucht. Neen. Ik heb er niks mee. En de katholieke kerk, daar heb ik ook niks mee. Ik ben vrijzinnig godverdomme. Ik denk. Ben kritisch. Heb geen god de vader nodig om mij te vertellen wat goed en slecht is. Ik verman mezelf. Roep een familievergadering bijeen. Een concilie. Van oecumenische aard. Zo, vertel jij nu maar eens wat je hiervan vindt. Het concilie bekijkt de diensten. Het kind opent de mond. Letters marcheren staccatogewijs naar buiten: BE-LA-CHE-LIJK. Goed zo. Het concilie is het onderling eens. Lentefeest dan maar? Het kind trekt grote ogen. Schudt heftig het hoofd. Wat nu? Zomerfeest, winterfeest? Herfstfeest? De ruimte vult zich met resolute letters: ik – wil – de –vriend – van – jezus – worden.  Het kind is gewoon verwend, denk ik. Een klein verwend letterkind. Ze kijkt me aan. Boos. Verontwaardigd. Ik doe mijn mond open. Hoor hoe een letterfestijn eruit zwemt: Ok – ik – zal –dan- een – afspraak – maken – met – Rent-a-Priest. Paps zucht. Verschrikkelijke wijven. Het letterkind is content. Het concilie gaat uiteen. De beslissing is unaniem –

Een beetje licht in het hoofd, betreden we Jules’ heiligdom. Aan de muren hangen spreuken. Ik heb een hekel aan spreuken. Ik lust ze niet. Niet als ze uit iemands mond komen, niet als ze aan de wand hangen, niet als ze virtueel rond mijn oren fladderen. Niet. Ik lust ze niet. Opnieuw twee lieve ogen. Misschien moet je ze eerst eens proeven? Een klein stukje dan. Mondje open. Geen woord over god. Geen gebiedende letters. Vraagtekens. Tegen de wand. Een mens die lacht. Ha-a-aham. Mondje toe. Kauwen. Slikken. Mondje open. Zie je nu wel dat je het lust. Voor ons zit een man die gelooft. Hij noteert de datum. Doopsel én communie. Met potlood. Je weet maar nooit. Twijfel gluurt om elke hoek. Hij doet zijn mond open. Letters rijgen zich aaneen in een vertrouwde melodie. De man spreekt Kempisch. Ik zeg dat mijn vader ook Kempenaar is. Hij lacht. Twee lieve ogen. Dat hij voor de liefde naar hier kwam. Aangename elektroshock in mijn hoofd: De liefde? En god dan? Er is geen schuld groter dan de liefde gods’ kirt Dostojevski door mijn hoofd. Op de kast prijkt een foto van zijn vrouw. Daarnaast een ingekaderde zwarte dame. Ik ben in de war. Moet aan mijn grootvader denken. Die is er niet meer. Maar nu weer heel even wel. Liefde kruipt door mijn bloed. Mijn schouders ontspannen. Ik glimlach. Paps wijst naar de geborduurde figuren op het tafellaken. Uit Haïti, zegt Jules. Dat hij er 25 jaar missionaris was . Er vijf kinderen adopteerde. Ze doen het goed. Ik open mijn mond. Woorden rijgen zich aaneen. Ik brei er een vraagteken achter. Hebt u gebroken met de katholieke kerk? Jules lacht. Schudt zijn hoofd. Maar dat hij het standpunt van het Vaticaan over aids en het verbod op condooms zondig vindt. Dat de paus geen benul heeft. In zijn paleis. Dat macht en liefde een slechte match zijn. We lachen. Beamen. Voor ons zit een man die gelooft. In de kracht van mensen. In de liefde. Wie kan daarop tegen zijn?

We nemen afscheid. Schudden Jules’ hand. In de hal hangt een wereldkaart. Paps zegt dat zijn zus ook een globetrotter is. Jules lacht. Goed zo. We zien elkaar in mei. Doopsel én communie. Ons kind krijgt een nieuwe vriend:
Mr. Jee. Het schijnt een toffe pee te zijn.

doop

Anker Tong

Fiction

Woordzoeker vzw

Muzische, artistieke taaleducatie voor kinderen, jongeren en volwassenen

Het Ontstaan

Hoe de woorden zich bewegen en vorm worden

Kim in de pen blogt

Belevenissen van een maandagskind

ben zo terug!

En toen was er...

Niels Hagen, een persoonlijk filosofisch weblog

Over: duurzaamheid, film, kunst, liefde, literatuur, muziek, politiek, sport en wetenschap

Rolf van der Leest

Gebundelde karakters als proviand voor de geest

gedacht & gedicht

en soms wat meer gedicht dan gedacht

pazzidiparole.wordpress.com/

Ann Van Dessel - Daniel Billiet - Erwin Steyaert - Hilde Pinnoo

Lettergoesting

Over kunst en letters en hun plaats in mijn leven

Fotogedichten van Lenjef

Losse gedachten in woord en beeld gevangen ©

Places Unknown

Dmitrii Lezine's Places Unknown is fine art and travel photography from around the world. Enjoy!

Figments of a DuTchess

not noble, just Dutch

Jonas Bruyneel

Literatuur/Journalistiek/Muziek

LouTerLou, I'm telling you

blogs, columns, life

Loessoep

I'd rather be a verb than a noun

Margo Hermans

Blog what you live; don't live to blog.

Lettersmid

Vindt (de) zin

Goed Gezind

Terug naar de eenvoud

Kluger Hans

Online platform

KING BILLY's REPUBLIC

For whatever it's worth

ilcavallobianco

corri, corri mezza prato

Alowieke

Ik kijk en ik creëer

Stop Shop 2014

we stoppen de shopping waanzin (voor één jaar)

Land van Eden

Of hoe we anders kunnen leven en denken.

Jean Philip De Tender

everything is a story

kribbels uit mijn leven

een kijk in mijn gedachten en de gebeurtenissen uit mijn dagelijks leven, heel gewone dingen, misschien ook wel heel bijzondere......

Taaldacht

Mijmeringen over de aard en wortels van onze taal

Take This Now

Don't let yesterday use up too much of today

Juliecafmeyer's Blog

Just another WordPress.com site

sarahgoodreau

things and not things.

Door Suzanne

De beleving in al haar facetten

Opmerkelijke Manieren

mijn ervaringen als lid van Mensa

akim a.j. willems

pssst...het menu van deze site vind je dààr in het hoekje = = = = = = = = = > > > >

Groove Garden

Adriaan Kuipers

Spiegelingen

Mijn wereld in spiegelbeeld

Kaat Kladdert

Kaat kladdert erop los

Ketogeen... en... Wat ?

Zelfexperiment van ketogeen..... eten ! En ? Hé ? Ja dat !

Leen Huet

Leen Huets blog

%d bloggers liken dit: