RSS Feed

Tagarchief: Geertje

Geertje, Sappho & Diane Vandeputte

Geplaatst op

Diane Vandeputte was een nieuwe moeder aan de schoolpoort. Snel vernam ik dat ze ook schrijver was. Toen zij op haar beurt leerde dat we beiden met de pen brood op de plank toveren, baande ze zich resoluut een weg doorheen mijn gesloten dampkring en stelde ze zich trots, doch innemend voor: Hee. Ik ben Diane. Vandeputte. Wellicht ben je bekend met mijn werk? Ik hoor dat je ook schrijft?

In gedachten schudde ik mijn schubbige vel terug op zijn plaats. Ik hapte naar asem en trok mijn ogen wijd open. Een aanval. Kennismaking, zegt men in de volksmond. Ik relativeerde mezelf. Zei dat ik sprookjes, kleutertoneeltjes en soms ook perverse ontmoetinkjes uit mijn pennen toverde. Met Geertje en zo. Diane knikte. Bewierookte zichzelf. Literaire, feministische opiniestukken en poëzie. Over Sappho en zo. Ik taste haar af met mijn ogen en voelde hoe alle letters in mijn hoofd koppig afdaalden naar de bodem van mijn buik. En hoe ze daar knorrige geluiden veroorzaakten, die doorheen mijn slok- en luchtpijpen op en neer bewogen. Mijn lijf, een orgel. Mijn hoofd, een basdrum. Mijn blik, crashend tussen de kiezelstenen onder mijn voeten.

Misschien moesten Geertje en Sappho maar eens koffie gaan drinken?

Ik keek rondom mij. Vroeg me af wie deze zin in de ether smeet. Diane knikte vriendelijk. Of het ook thee mocht zijn? Ze had geen idee hoezeer deze ogenschijnlijk onschuldige repliek de voorbode zou zijn van een heus fiasco.

De volgende dagen bracht ik de kinderen veel te vroeg en haalde ik hen veel te laat weer op van school opdat onze wegen zich niet meer zouden kruisen. Toch bleef de rendez-vous in mijn agenda staan. Ik had gehoopt dat de letters zouden vervagen, maar dat gebeurde niet. Integendeel. Ze dansten steeds zwoeler, steeds gevaarlijk dichter tegen de kantlijn. Tot ze zich als junikevers uit het papier tolden en steeds hoger vlogen tot ik ze wel slikken moest.

sappho

Ik duw de zware deur van het koffiehuis open en laat mijn blik voorzichtig over de oude vloertegels glijden. Van bloedspatten geen spoor. Enkel een slijmsliert. Een vreemde asbak in de vorm van een tiet trekt mijn aandacht. Koffie smaakt altijd beter in een waas van sigarettendamp. Ik duw de melkachtige substantie aan de kant en zie Diane zitten aan een tafeltje bij het raam. We knikken. Bestellen een koffie. En een thee. Onheil sluimert mijn bovenkamer binnen. Zie ze snuffelen, lacht de schrijfster terwijl ze met haar kin wijst naar Geertje en Sappho, die elkaar verderop aan een tafel aftasten. Er wordt geloerd, gesnoven en gefronst. Men komt dichterbij en trekt zich dan weer terug. Er wordt om hete brijen gedraaid, er wordt gestritst, territoria worden afgebakend en dan… dan stuift Geertje op. Haar stoel schiet naar achter, haar knokkels op tafel, haar smoel bedreigend dichtbij die van Sappho. Haar tanden bloot.

Ik moet je waarschuwen. Ik lijd aan amygdalafantoompijnen. Die boodschap wordt raar bekeken. Het gaat hier immers over een anachronisme maar ook dat bestond toen nog niet. Een anachronisme avant la lettre als je wilt. Schrijf daar maar eens een gedicht over! Of een feministisch opiniestuk!

Diane voelt Geertjes blik ook op háár gelaat en nipt zenuwachtig van haar thee. Thee! Voor losers, zeg ik. En ik zou het koekje misschien negeren. Fantoompijnen. Daar hadden we het over. Van de amygdala.

Hierdoor kan ik volledig rationeel en zonder druk om op sociaal gewenste wijze te reageren, in het leven staan. Feminisme dus. Ik huiver van het woord. Alsof we zelf controle zouden hebben over onze rol, onze status in de maatschappij. Dat is, lieverd, bi-o-lo-gisch allemaal voor ons geregeld. We hoeven dat niet uit te vinden of zo. We meanderen met de stroming mee. Je strijdt tegen vrouwen aan de haard? Ik ben het daar maar gedeeltelijk mee eens. Kijk, dametje, wij hebben het weliswaar voor het kiezen, maar dan… maar dan. Dan zit je natuurlijk met de gebakken peren. En dan kan je er maar voor zorgen dat je je zo goed mogelijk uit de slag trekt. Een extraatje nu en dan is mooi meegenomen. Een must? Misschien. Een plus? Alleszins. Ik hoef je dat niet uit te leggen in hedendaagse termen, daarvoor ben je te hellenistisch. Of prehistorisch. Of fabelachtig. Wie zal het zeggen. Of toch? Snap je het niet? Is je rationeel vermogen ondertussen zo grotesk dat je het eenvoudige niet meer begrijpt? Wat is er? Ben je bang dat ik je aanvallen zal? Dat doe jij al heel de tijd. Met je ellebogen doorheen mijn dampkring. Gelijk de prins in het doornenbos. Alleen wil ik niet gekust worden. Zie je niet dat ik al lang wakker ben?

Dianes ogen pingpongen van Geertje naar Sappho en dan weer terug naar mij. Haar thee is verdampt. Ze sabbelt al tien minuten op haar koekje dat nu in slijmerige slierten van haar mondhoeken naar haar kin glijdt.

Ik lach. Bied haar een servet aan. Ik begrijp deze conversatie beter dan wie ook.

In dat opzicht lijkt het mij voor vrouwen, moeders zeg maar, ideaal om een thuisjob te hebben. Nee, niet aan de haard, je hoeft niet zo lelijk te kijken. Ik zei: thuis-job. En in dat opzicht vind ik die webcam-dames héél erg intelligent. Biologisch intelligent. Snap je? Aangepast. Zij zogen hun kroost, verzamelen gouden vruchten en houden tegelijk het hol proper. Er hoeft niks opgeveegd te worden. Dat kan je over de andere zijde niet zeggen. Daar kan men na het swaffelen ook swifferen!

Ik lach. Diane kwijlt. Sappho heeft zich een tiet afgesneden en richt een pijl op Geertjes hoofd. Ik duw haar aan de kant. Amygdalaloos. Trut. Wat wil je? Diane komt er nu ook bij staan. Grist de pijl uit Sappho’s handen en steekt haar in haar sacoche. Dat ik niet wijs ben. Dat er stukken aan me zijn. Opiniestukken, denk ik. Ze schudt haar hoofd. En ook geen poëzie. En dan verdwijnt ze in een stofwolk van sociaal correcte ideeën. De tiet ligt verweesd op tafel. Een slijmerige sliert van koek en thee gonst over de vloer.

Knokenkooi

Geplaatst op

Weet je, zegt ze. Ik ben het oneens. Met wat, denk ik. Je bent het oneens met wat? Geertje? Ze schraapt haar keel, laat er zwarte koffie door glijden, kijkt me resoluut aan en begint dan aan haar verhaal.

Men beweert dat wij gemeenschapsdieren zijn. (Ik verwacht nu een fabel waarin ik in de kudde woon en waarin zij mij en de rest van mijn imbeciele graasroedel vanaf een hoger gelegen punt – een heuvel, een schuurtje op een berg, een boom op een rotsformatie – aanschouwt.) Die queeste naar gemeenschappelijkheid. Gemeenschappelijkheden. Dát. Ik ben het daarmee oneens.

Ik knik. Denk dat ik weet waarover ze spreekt. Jij bent liever uniek. Zeg ik. Jij, jij bent liever geen schaap. Is het niet, Geertje?

Ze verslikt zich. In haar hete koffie. Kijkt me aan alsof ze het hoort donderen in Keulen en ver daarbuiten. Herpakt zich. Denkt wellicht dat ik zo imbeciel geboren ben. Dat ik er niks aan kan doen.

Ik denk, zegt ze. Dat niet gemeenschappelijkheid, maar afzonderlijkheid onze meest fundamentele eigenschap is. Onze conditio sine qua non. Dat wij maar kunnen leven in die afzonderlijkheid, als in een kooitje. Waarvan de spijlen gemaakt zijn van knook, waarvan het glas doorzichtig vel is. Totaal afgezonderd van de wereld, als een museumobject, losgerukt uit zijn natuurlijke omgeving. Die wij ondertussen vergeten zijn. Is het de ruimte? Is het ergens één of ander hol, diep in de aarde? Is het in ons onderbewustzijn? Hoe ontheemd kun je zijn? Als je niet meer weet waar je vandaan komt? Enkel de afzonderlijkheid redt ons van de waanzin van de ons omringende chaos. Breek het kooitje en we versmelten in pure gemeenschappelijkheid met de wereld.

Dood, noemt men dat. Morsdood.

door het raam

Ik denk aan wolkenslierten. Aan het spel van licht en schaduw in mijn woonkamer. Aan water. Aan mazelen. Aan badschuim op mijn glas. Aan gekietel aan mijn spijlen. Aan melk in koffie. Aan al wat vervloeit.

En verdwijnt! Vult ze aan. Alles wat vervloeit én dus verdwijnt.

Kan je denken aan wat niet is? God. Opper ik. Fantoompijn.

We drinken onze koffie leeg. Staren. In de ruimte. Waar mijn gedachten versmelten met die van haar. Waar ze verdwijnen. In de leegte van onze gemeenschappelijkheid.

Geertjes kerstwens

Geplaatst op
Geertjes kerstwens

Een dag voor Kerstmis had ze eraan gedacht om een schuimende cappuccino te bestellen. Een heerlijke feestgedachte waarvan je geen uitputtingsverschijnselen zou vertonen. Vervolgens bestelde ze een normale koffie. Zwart. Zonder suiker.

Ik besloot de rendez-vous met open armen te ontsluiten.

Wat mag jouw kerstwens zijn, dit jaar? Vraag ik tegen wil en dank. Ze kijkt me ongelovig aan. Echt? Of ik dat echt weten wil? Ik knik zo onnozel als ik maar kan. Mijn neus bloedt. En druppelt rode kersen op het taartje dat we voor de gelegenheid bij de koffie kregen. Ik zou er niet in durven bijten. De gedachte alleen aan haar afkeurende blik, haar teleurgestelde zucht zou mijn ledematen controleren als een visdraadje de marionet.

Ze neemt een slok en kucht een eenzame kikker weg.

Ik wens. Zegt ze. Meer oorspronkelijkheid. Ik wens dat men alle boeken op de brandstapel gooien zou. Op een aantal uitzonderlijke meesterwerken na. De enige boeken die ertoe doen. 1984. George Orwell. Als een glazen bol. Waarin iedereen kijken mag. Met het risico dat je ogen ontploffen als je het onoverkomelijke niet dragen kan. Je zou in dat geval een sprookjesboek kunnen lezen. Maar die liggen op de stapel. Lagen op de stapel. Zijn nu een vlokje as. Vervolgens: Het volledige oeuvre van Vladimir Nabokov. Omdat je enkel mooi denken kunt in mooie taal. Denken is taal. Je stelt je de vraag waarom de jonge garde enkel in slogans en ongenuanceerde stellingen denken kan? Omdat die jonge lui enkel kort en bondige taal lezen en schrijven. Twitter. Emoticons. T-shirts. Sms. En ook wel: video’s. In een notendop: Krachtkreten, Symbolen & Performance. Oewoewoewoewoe, Totems & Dromen van Sjamanen. Je waant je in een Indiaanse stam.

Ik kuch. Ze heeft het gezien. Nu moet ik kleur bekennen. Ze knikt met haar kin. Wat? Welke onzinnige gedachte kleeft er op je voorhoofd? Ik zeg dat het Native Americans zijn. Echt? Ik haal mijn schouders op. Denken is taal. Denk ik. Ik denk in lange tenen. Ik denk in kwetsbaarheden. Gevoelige zielen. Ik denk dat het Kerstmis is. En dat iedereen vandaag vrede verdient. Syrië. Mensen zonder huis. Mensen zonder familie. Kinderen. Alleen in een tentenkamp. Godverdomme. Dat denk ik, Geertje!

Ze haalt haar schouders op. Zegt dat zij steeds het grotere plaatje bekijkt. En dat haar uitzonderlijke stapel nog een kers verdient. Als een blinkende, rode druppel. Tongkat. Peter Verhelst. Omdat alles altijd tegelijk gebeurt. Omdat letters en cijfers inwisselbaar zijn. Omwille van de schoonheid ook. Weeral. Echte liefde is schoonheid. Van chaos die culmineert in nieuwe ordes. Die dan weer zichzelf onderuit halen. Chaos veroorzaken. Zoals het ook ons vergaat. Altijd weer opnieuw.

En voorts mag je elk verhaal zelf bedenken. Dat wens ik de mensheid toe. Oorspronkelijke gedachten. Dat zullen er maar een handjevol zijn. In heel je leven. Dat is méér dan het heen en weer gewauwel dat je nu produceert. Zinnen die voor eeuwig onaf zijn. Die steeds weer komma’s achter zich opgooien. Gelijk een mol. Gestuwd door het gegraaf achter zich. Blind voor wat komen gaat. Een stroomstoot. Doodslag met de schop. Kwijlende tuintijgers. Onnozel hopend. Ophopend. Een volgende, weerzinwekkende, betekenisloze bijzin. Achter de komma. Hoop na hoop. Want dat doet leven. Zegt men. Onzin. Uitstel van executie. Hoe blij word jij van molshopen in je tuin? Jij doét niet anders. Virtuele hoop na virtuele hoop uitbraken. Lang leve de hoop. Lang leve Kerstmis. Lang leve de onnozele kinderen. Lang leve de herkauwende massa.

Ik kijk haar beduusd aan. Wat is dat voor een kerstwens?

Ze knikt. Zegt dat ze het snapt. Wensen behoeven een ritueel. Ze maakt klauwen van haar vingers. Gritselt al haar woorden tot een wolk bij elkaar. Knoopt er een strik rond. Van Geertje voor mij. Zalig Kerstfeest.

Denken aan al wat is

Geplaatst op

Ik doe de deur van ons stamcafé open en zie haar al zitten. Je mag zeggen over haar wat je wilt, op tijd komen doet ze. Altijd. Liever nog is ze te vroeg. Controle. De touwtjes in handen. Dat soort dingen.

Ik weet dat zij mij ook ziet. In haar rechterooghoek. Maar opkijken doet ze niet. Ze lepelt haar koffie om en om. Alsof ze haar hersenpan omroert. Ideeën losweekt van de bodem. De smaakmakers van elk verhaal.

Nog voor ik plaatsgenomen heb, schuift ze een boek naar me toe: Denken over al wat is. Tussen de ‘wat’ en de ‘is’ heeft ze in zwarte drukletters ‘NIET’ gepropt: Denken over al wat NIET is, staat er nu.

Is dat niet precies wat we doen? Een retorische vraag. Ik kan maar beter knikken. Al weet ik het nog zo niet. Ik weet niks. Dat weet ik ondertussen. Zij nipt aan haar koffie en vervolgt haar monoloog. Zonder me aan te kijken. Lepelend. Weet je wat wij zijn? Wij zijn kunstenaars, makers, wij vervormen de wereld rondom ons, wij geloven in het onmogelijke, het onbestaande, wij hebben lak aan al wat is, wij willen iets meer, iets waarvan en waar doorheen ons bloed stroomt. Iets wat nog niet bestaat en dat altijd al heeft gedaan. Niks is onmogelijk. Een laagje lak op niks en het is iets. Wij vinden dat het iets is. Dat het iets betekent. Dat het de moeite waard is. Iets om voor te leven en te sterven. De heilige graal. Nondedju. Daar denken wij over, schat. Over niks.

Wat hou ik van haar. Ik slurp van elk woord dat uit haar mond dwarrelt. Fladdert. En met een smak valt op de ijskoude vloer. Het woord dat zin wordt. Sowieso. Waar heeft ze het in gods naam over? Het kan me niks schelen. Poëzie moet je drinken. Of rechtstreeks in het bloed.

Het ergerlijke aan heel die kwestie – ze kijkt me nu strak aan – is dat we:

1) dat een bijzondere gave vinden (de Maker is groot!)
2) aureolen kleven boven deze lagen lak (blijf met je fikken van mijn Sprookje!)
3) niet beseffen dat we dit constant doen (geloof jij nog in Sprookjes?)

Constant. Niet enkel in het keramiekatelier. Wij beduvelen onszelf dag in, dag uit met maakseltjes. Laagjes lak. Lucht. Gebakken als het kan. Omdat we dat waard zijn. Wij verdienen een hemel, een dak boven het hoofd van wat is. Wij verdienen tempels en goden. Wij verdienen troost. Schoonheid. Een sprookjesleven. Met tentakels tussen lang geleden en ooit ver weg. Daarover koorddansen wij. Balancerend. Over ingebeelde spinnenwebben. Zijden draadjes. En terwijl we daar staan. Met de diepte onder ons en geen baldakijn, geen wolk om ons aan vast te grijpen, nemen wij ons sabel en we meppen. We meppen alle andere elfen, kabouters, kruisvaarders die ons de weg versperren, neer. Want wij zijn godverdomme op weg. Naar alles wat niet is.

Er was eens – ze beglimlacht me breed – een man die neerpende dat de zonsondergang is zoals het laatste vers van een gedicht. Een filosofische, universele samenvatting van de dag. En hij pende dat zo verschrikkelijk poëtisch – profetisch bijna en ook wel met een tikkeltje romantiek in zijn stem – neer dat iedereen hem geloofde. En de zonsondergang werd vers en de dag poëzie. En wij geloven dat. Het gebeurt immers voor onze ogen. In onze buik knettert die waarheid met een onweerstaanbare, ondraaglijke leegte.

Omdat het lak is. Liefje. Lak waaraan wij ons denken, onze spierkracht, onze liefde verspillen. Drup, drup, drup. Liters bloed, zweet en tranen. Voel je ze uit je poriën kruipen? Want ook jouw creatie is heilig. Plak er een gouden nimbus boven. Een verblindende stralenkrans. Een aureool. Zodat je niks meer ziet. Want daar buiten is het koud en gevaarlijk. Daar buiten heerst chaos en willekeur. Daar buiten zijn wij overgeleverd aan de meedogenloze tijdloosheid van al wat is.

Ze slurpt haar koffie in één teug naar binnen. Schudt met haar hoofd en met haar schouders. Slikt. Staart een antwoord uit mijn strot. Vind je ook niet?

biebklein

Stapel

Geplaatst op
Stapel

De stilte tussen ons was geëvolueerd. Van kwellende minuten over ongemakkelijke lichtjaren tot wat het nu geworden was: glijmiddel. We zaten tegenover elkaar. Roerden in onze koffie. En we gleden. Terug in de tijd die altijd opnieuw geboren werd. En naar de toekomst die we altijd voorvoeld hadden.

We deden onze ogen simultaan open. Bestelden een nieuwe, hete koffie. Geertje duwde het melkpotje en de twee klontjes suiker naar het midden van de tafel. Wat een verspilling. Wist men na al die tijd nog steeds niet dat ze een zwartdrinker was? Of dacht men dat dat op elk ogenblik veranderen kon? Wij wisten dat dat niet zo was.

Weet je, zegt Geertje. Je moet het leven, de werkelijkheid bekijken in panoramazicht. Als één geheel. Doorzichtige tijdvlakken die op elkaar gestapeld zijn. Je ziet elk vlak maar tegelijk zie je ook de stapel. Dat scheelt een hoop ergernissen. Laat het gepeupel maar discussiëren over onbestaande betekenislagen, de stapel wankelt niet. Dat is een fijne gedachte.

Ik frons mijn voorhoofd. Probeer af te dalen in de kelders van mijn brein. Dan zit je in je buik. Mijn ingewanden schreeuwen dat wij het hiermee niet eens zijn. Vrije wil en zo. Liefde. Het steentje en de meander. God. Liefde.

Geertje lacht. Zegt dat ik haar maatstaf ben voor het ordinaire, het banale, het onbeduidende. En bedankt daarvoor. Dat mijn triviale manier van denken haar weerhoudt om lekker gezellig te zijn, een sociaal wezen, een kuddedier, een schaap zeg maar. Dat er best ruimte mag zijn voor the lone wolf, de eenzaat, de kluizenaar in zijn hutje bovenop de stapel. Die zijn vingers kromt tot verrekijkers. De meute ziet aanstormen. De meute de aftocht blazen ziet.

Ze klimt bovenop ons tafeltje. Dat het allemaal de schuld van het verdomde socialisme is, declameert ze. Dat wij ons zouden moeten schamen. Dat we armoede toelaten in onze kudde. Schaam u! Dat we hulpbehoevendheid toelaten. Schaam u! Dat wij waanzinnige ideeën toelaten. Die buiten de stapel onbestaand staan te schaterlachen. Schaam u! Gooi ze uit de kudde! Verf ze zwart! Smijt ze van de stapel! In de eeuwige niksheid. Dobberend. Tussen onbestaande betekenislagen. God de vader. Liefde. Kunst. Vrije wil. Barmhartigheid. De heilige boeken. Weg er-mee!

De mensen kijken naar ons. Dat zouden ze blijven doen. Het heeft en het had en zou nooit zin hebben om haar te bedaren. Deze scène stond gebeiteld. In de stapel. Snap je het nu?

Ik knik. Geertje is gek. Knetter. Stapel. Toeval bestaat niet. Ze kan er niks aan doen. En ik ben banaal. Ordinair. Onbeduidend. Ik ben het meisje uit American Beauty. Maar dan lelijk. Ook dat nog. Ik zou me naakt strippen om gezien te worden, gehoord. Geertje? Ik wil ook wat zeggen. Ik…

We glijden. Naar de dag waarop men Kat met Pruimen serveert. Dat is lekker. Is het altijd al geweest, zegt Geertje. Zie je nu wel?

Een bakje troost

Geplaatst op

We hadden besloten om elkaar terug te ontmoeten. Geregeld. Omdat we als het ware één en dezelfde persoon waren. Telkens aan het andere uiteinde van het spectrum. Van een spectrum. Welk dan ook. We zwaaiden niet naar elkaar. Daarvoor was zij te onempatisch en ik te gereserveerd. Ik knikte onopvallend. Zij keek me aan en zocht ondertussen naar een openingszin. Toen ze die gevonden had, spuwde ze die uit: “Ik denk niet”, zei ze, “dat we op zoek zijn naar de waarheid. Die is immers gekend. Ik denk dat we zoeken naar troost en naar leugens. Om de waarheid te verzachten en te verdoezelen. Dat is zo gek niet. Elkeen doet wat ie moet doen om te overleven. Je kan sterven van verdriet. Dat wil je niet. Je zal sowieso sterven van het leven. Dat wil je vergeten. Daar hang je een sluier overheen. Waarmee je een niet bestaand vervolg breit aan je leven zoals zich dat nu als vlees en bloed om je heen drapeert. Weet je wat het probleem is? Wij zijn nooit content. Wij willen alsmaar meer. Wij willen niet geknecht zijn in ons lijf. Wij willen vliegen. Vrij zijn als vogels. De zon aanraken. Vloeibaar zijn. Wij willen iets anders. Iets groots, iets heiligs, iets onaantastbaars. En tegelijk zinken wij tot onze knieën in het slijk van deze aarde. Tegelijk zijn wij niets meer dan een vulgair zoogdier. Driftig. Bloedend. Onvoorspelbaar. Gevaarlijk. Belust op macht. Gulzig. Schijnheilig.”

Het hele zooitje kwam keihard in mijn gezicht terecht. Ik opende mijn mond van verbazing en slikte de brokstukken door zonder te kauwen. Ze zouden er later onverteerd terug uit komen. En dan heb je eigenlijk niks gegeten. Of toch? Iemand bracht twee koffies. Ik zoette die van mij. Zij duwde melk, suiker en praline van het onderbordje. “Randanimatie”, beweerde ze. “Vind je ook niet?”

Ik schudde mijn hoofd, zei dat ik het eerder een totaalvoorstelling vond. Dat antwoord had ze niet verwacht. Ze knikte. Keek me aan. Veerde uit haar stoel, kroop over tafel, naderde met haar lippen mijn gezicht en fluisterde “Leu-gens. Jij wentelt je erin. Jij laat je bedriegen met open ogen. Aan het einde van de rit verzwelgt je lichaam wie jij bent. Omdat je altijd als het ware één geweest bent. Jij bent je lijf. Je knechtige lijf ben jij. Er is niets meer. Niets heiligs, niets onaantastbaars. Er is enkel vlees en bloed. Met een beperkte houdbaarheidsdatum. Dametje. Met je gsm en je handtas. Dametje met je sluier voor je ogen. Met je kuddewijsheid. Met je klok om je pols. Hoor je hem tikken? Tijd om jongen te werpen. Onsterfelijker dan dat word je niet. Dametje met je zijden stofjes over stinkend vel. Met je oneindig herkauwde uitspraken. Met je sprookjesboekenmoraal.”

En toen was ze weg. Ineens zat ik alleen aan het tafeltje. Iemand haalde een koud geworden koffie weg. Ik plooide het papiertje van mijn praline in twee en in twee en in twee totdat er een gouden stok tussen mijn vingers rolde. Die stak ik in mijn haar. Als een geplukte ster. Die hield ik achterwege. Voor het volgende gevecht. Ik aan de ene zijde van het spectrum. Zij aan de andere kant. Schuifelend. Met een gouden stok in onze handen. Met een stille menigte onder ons. Die uit elkaar stuiven zou als we het evenwicht verloren. Je zou toch niet willen dat zo iemand je verplettert? Dat de waanzin boven op je valt? Dat je kaartenhuisje ineen stuikt?

Bonzaïkat

Geplaatst op

We hadden elkaar maanden niet gezien of gesproken. Na ons laatste gesprek waarin ze opriep om kat met pruimen te eten in tijden van crisis en bovenop me sprong op de koude vloer van het koffiesalon, kon ik het niet meer opbrengen om haar te ontmoeten. Toch zat ze in mijn hoofd. Steeds luider. En toen er deze morgen een post-itje flapperde aan mijn muur, wist ik dat zij het was. Ze moest me zien. Dringend koffie met me drinken. Ach, wat haatte ik haar en haar ingebeelde superioriteit, haar arrogantie, haar onempatische blik op de wereld. Haar geslurp aan zwarte koffie.

cup of coffee

Ze zit er al. Aan ons tafeltje. Koffie wordt opgeslurpt. Suikerklontjes ostentatief van het bordje geduwd. Ze kijkt me aan. Dat ze haar in het oog houden, zegt ze. Ik slik. Besluit om verder niet te vragen hoe het met haar gaat. Als ik haar wil ontmoeten moet ik elk plan achterwege laten. Moet ik tegelijk op alles en op niks voorbereid zijn. Als ik haar wil omarmen moet ik zonder vooroordelen zijn. Moet ik alles wat ik denk te weten overboord gooien. Opnieuw beginnen. Met een schone lei. Ik ben een kleuter in het instapklasje. We gooien de dobbelsteen. Rood. Tomaat. Aardbei. Bloed, zegt Geertje. Natuurlijk.

Ik haal mijn schouders op. Wie houdt je in het oog? Ze, zegt ze. Zé houden mij in het oog. En dan toont ze mij de binnenkant van haar pols. Doorheen haar rijstpapieren vel zie ik een donderblauw plaatje. Een chip, zegt ze. Dat ze jaren geleden reeds, geselecteerd werd om in een proefproject te stappen. Dat elk woord dat ze uitspreekt, elke stap die ze zet, gemonitord wordt. Opgeslagen. Gestatistikeerd. Geïnterpreteerd. Gewikt en gewogen. Gemanipuleerd in het verhaal als een bonzaïkat in een fles. Ik zucht. Al mijn ongeloof uit mijn lijf. De lucht siddert van leugens. Een vrouwenkoor krijst vals en hoog. Dat ik misschien één en ander symbolisch moet begrijpen. Als een metafoor. Ze schudt het hoofd. Slurpt haar kopje leeg. Wat zij niet weten, tenminste, wat ik dacht dat zij niet wisten, zegt ze, is dat ik mezelf gehackt heb. Ik zie wat zij van me maken. In welke fles zij mijn acties en woorden manipuleren. Hoe zij de touwtjes van mijn leven in handen denken te hebben. Welnu – en ik bespaar je de technische details – sinds een aantal maanden bespeel ik echter de poppenspelers. Ik ben als het ware de regisseur van het poppenspel waarin ik bespeeld wordt. Snap je? Dat doe ik niet, maar ik knik toch. Wat moet je anders?

Ik drink van mijn koffie. Zij kijkt naar een lege bodem. Trekt een blauw blaadje uit het kartonnen houdertje. Plooit het dubbel en nog eens dubbel. En nog eens. En nog eens. Tot er een minuscule speer tussen ons op tafel ligt. Ik zeg dat ik niet gewapend ben. Ze haalt haar schouders op. Als het oorlog wordt, is alles gerechtvaardigd. Ik knik. Dat is waar. Als het oorlog wordt, mag je alle regeltjes overboord gooien. Zeker zoiets als privacyregeltjes. Dat heeft dan geen enkele waarde meer. Stel je voor. Wie maalt daar dan om? Als je in de loopgrachten ligt. Ik niet en zij zeker niet. Ze houden me in het oog. Kijken elke dag welke regie-aanwijzingen ik geef. Vanuit de Verenigde Staten. Geloof je dat? Die spreken geeneens Nederlands. Snap je? Ik vertrouw het zaakje niet. Ze hebben me door! Ze rukken me binnenkort de touwtjes uit de handen! Zullen hier op een dag voor de deur staan. Me een zak over het hoofd trekken en me trachten te verdrinken. Ze zullen me martelen. Informatie uit mij willen peuteren. Maar weet je, ik lul maar wat. Ik weet van niks.

En dan zwijgt ze. Alles is verteld. Zij weet van niks en ik van nog veel minder. Ik zou haar kunnen omhelzen. Maar dat doe ik niet. De afstand tussen ons is gebarricadeerd. Een witte speer kijkt me dreigend aan. Elke stap in haar richting kan fataal zijn. Ik slik mijn blik in. Drink mijn koffie uit. Staar in het ongeloof dat tussen ons suddert.

Anker Tong

Fiction

Woordzoeker vzw

Muzische, artistieke taaleducatie voor kinderen, jongeren en volwassenen

Het Ontstaan

Hoe de woorden zich bewegen en vorm worden

Kim in de pen blogt

Belevenissen van een maandagskind

ben zo terug!

En toen was er...

Niels Hagen, een persoonlijk filosofisch weblog

Over: duurzaamheid, film, kunst, liefde, literatuur, muziek, politiek, sport en wetenschap

Rolf van der Leest

Gebundelde karakters als proviand voor de geest

gedacht & gedicht

en soms wat meer gedicht dan gedacht

pazzidiparole.wordpress.com/

Ann Van Dessel - Daniel Billiet - Erwin Steyaert - Hilde Pinnoo

Lettergoesting

Over kunst en letters en hun plaats in mijn leven

Fotogedichten van Lenjef

Losse gedachten in woord en beeld gevangen ©

Places Unknown

Dmitrii Lezine's Places Unknown is fine art and travel photography from around the world. Enjoy!

Figments of a DuTchess

not noble, just Dutch

Jonas Bruyneel

Literatuur/Journalistiek/Muziek

LouTerLou, I'm telling you

blogs, columns, life

Loessoep

I'd rather be a verb than a noun

Margo Hermans

Blog what you live; don't live to blog.

Lettersmid

Vindt (de) zin

Goed Gezind

Terug naar de eenvoud

Kluger Hans

Online platform

KING BILLY's REPUBLIC

For whatever it's worth

ilcavallobianco

corri, corri mezza prato

Alowieke

Ik kijk en ik creëer

Stop Shop 2014

we stoppen de shopping waanzin (voor één jaar)

Land van Eden

Of hoe we anders kunnen leven en denken.

Jean Philip De Tender

alles is een verhaal

kribbels uit mijn leven

een kijk in mijn gedachten en de gebeurtenissen uit mijn dagelijks leven, heel gewone dingen, misschien ook wel heel bijzondere......

Taaldacht

Mijmeringen over de aard en wortels van onze taal

Take This Now

Don't let yesterday use up too much of today

Juliecafmeyer's Blog

Just another WordPress.com site

sarahgoodreau

things and not things.

Door Suzanne

De beleving in al haar facetten

Opmerkelijke Manieren

mijn ervaringen als lid van Mensa

akim a.j. willems

pssst...het menu van deze site vind je dààr in het hoekje = = = = = = = = = > > > >

Groove Garden

Adriaan Kuipers

Spiegelingen

Mijn wereld in spiegelbeeld

Kaat Kladdert

Kaat kladdert erop los

Ketogeen... en... Wat ?

Zelfexperiment van ketogeen..... eten ! En ? Hé ? Ja dat !

Leen Huet

Leen Huets blog

%d bloggers liken dit: