RSS feed

Tagarchief: Geertje

Geertje & ik – De hygiënepolitie

Geplaatst op

We hadden elkaar al een eeuwigheid niet meer gezien. Geertje & ik. Niet meer sinds er een abrupt einde kwam aan mijn vorige leven toen mijn echtgenoot de deur achter zich dichttrok en mij schreiend achter liet. – Sorry voor dat dramatische beeld, lieve lezer. Ik heb soms de onweerstaanbare neiging om bombastisch emotioneel te doen. Ik wijt dat aan het feit dat ik mijn jeugd tussen Italianen heb doorgebracht. Wist je dat als je maar voldoende tijd doorbrengt met bepaalde personen, dat er dan een soort van essentiële onderdeeltjes van hun genen doorheen je poriën in je eigen DNA terechtkomen? Wist je dat? Ik wél en daarom ben ik nu dus regelmatig op ongepaste wijze overdramatisch. Ik kan daar dus niks aan doen. Ik ben genetisch belast, ontoerekeningsvatbaar als het moet –

Maar goed. Al die tijd had ik haar dus bewust ontweken. Ik had haar berichtjes genegeerd tot ze niks meer stuurde. Dat is ook een manier. Ik kon het gewoon niet opbrengen om haar onder ogen te komen. Ze had vast allerlei eigengereide ideeën over liefdesbreuken in het algemeen en over die van mij in het bijzonder. Zo vond ze vast dat hij me te dom gevonden had. Omdat zij zichzelf zo uberintelligent vindt. Nu moet je weten, beste lezer, dat ik mezelf inderdaad vaak dom vind. Dus heb ik een aantal jaren geleden een test laten afnemen bij Mensa (die waren toen met een mobiel lab in de buurt) en daaruit bleek… Nu, ja… Laat ons het erop houden dat ik toch niet zo dom ben als ik eruit zie. En toen dacht ik: misschien is dom niet het juiste woord, misschien voel ik me eerder onaangepast. En sindsdien voel ik me inderdaad vooral vaak onaangepast. Op allerlei manieren. Opdat u zich daar iets bij voor zou kunnen stellen, zal ik daarvan een willekeurig voorbeeldje geven…

Sinds het begin van de zomer woont mijn zus tijdelijk bij ons in huis. Dat is meestal tamelijk prettig. Zolang ze niet over hygiëne begint te zeiken. Ze is namelijk – net zoals mijn moeder – tamelijk hygiëneziek. Tenminste, dat vind ik. Als ik tegen willekeurig welke andere mensen vertel dat ze zich elke dag doucht (dat doe ik ook, maar dat is omdat ik niks zo troostend vind als wegdromen in een cocon van heet, stromend water), dat ze haar handen wast na elk wc-bezoek (telkens als er zo een sticker op een openbaar toilet mij gebiedt mijn handen te wassen na ELK wc-bezoek, word ik gigantisch tegendraads en denk ik: Hè? Zal ik wel eens effe zelluf beslissen of ik mijn handen was. Meestal doe ik dat niet, volgens mij zitten er reinigende of tenminste weerstandverhogende bacteriën in urine. Mijn grootvader besproeide vroeger de rabarber altijd met een mengsel van regenwater en ochtendurine en die aten we ook op. En ooit las ik een verhaal van twee oudjes die dagen vastzaten in een lift en enkel overleefden omdat ze hun eigen urine opdronken. En dan zou zo’n belachelijke sticker mij even moeten komen vertellen dat ik mijn handen na ELK wc-bezoek MOET wassen. Ga toch kakken. Denk ik dan.), word ik toch vreemd en vooral stilzwijgend aangegaapt.

handen wassen

Tussen ons: volgens mij zijn mijn zus en mijn moeder lid van de geheime hygiënepolitie. Momenteel hebben ze het vooral gemunt op mijn oudste dochter die tegenwoordig hier en daar een spoortje tienerzweet achterlaat. Mijn moeder en mijn zus staan haar dan gewapend met deo, wc-verfrisser en vochtige doekjes om het hoekje op te wachten en spuiten en smeren het arme kind bijna van haar sokken als ze voorbij wandelt. Allemaal heel slecht voor het milieu, denk ik dan, véééél slechter dan een zweempje tienerzweet.

Maar goed, de mensen kijken mij dus altijd heel raar aan als ik die dingen vertel, dus nu slik ik dat gewoon in. En voel ik me onaangepast. Want ik snuif wel eens aan mijn eigen zweet (lekker!) en ik eet ook snottebellen op (vooral als ik moet niezen, dan slurp ik dat heerlijk, slijmerige belletje gewoon zo, hup van mijn hand af) en ik smeer mijn oorsmeer graag over mijn lippen (vooral als ik iemand ga kussen, maar dat mag je niet verder vertellen want dan vind ik nooit nog een lief) en ik hoef al helemaal geen inlegkruisjes met Lotusbloemengeur… Wie wil er daar beneden nu naar Lotusbloemen ruiken? Ik niet alvast, ik vind mijn eigen aroma’s meer dan aantrekkelijk (Misschien dat hij daarvoor is gaan lopen? Altijd al gedacht dat hij stiekem een kikker was, die nepprins van me.) Ooit heb ik ook eens een heel jaar mijn haren niet gewassen. Gewoon voor het experiment. Dat was kei-interessant. Mijn haren werden op den duur waterafstotend, ik voelde me als een schaap. Ik kon gewoon zonder paraplu of wat dan ook, in de regen gaan staan, zo waterafstotend was ik. Interessant toch? Ondertussen was ik het wel weer, want het begon toch een beetje te stinken. Tenminste, dat vond mijn moeder. En hij vast ook, maar dat heb ik hem nooit gevraagd. Feit is dat hij is gaan lopen. Waarvoor? Joost mag het weten. En Geertje weet het vast ook, want ik ga er maar vanuit dat ik naast een gebrek aan hygiëne volgens haar nog op tal van andere vlakken tekortgeschoten ben.

Ik heb dat heel lang allemaal niet willen horen. Maar nu… Nu, denk ik, kan ik er tegen. Bovendien heb ik niet zo veel vriendinnen. En koffie drinken in je eentje is zielig. Enkel als je in de grootstad woont, is dat artistiek verantwoord. Maar ik woon in het gezapige Maasland en daar is dat gewoon een teken van onaangepastheid. En ik spreek al geen dialect. Binnenkort word ik nog verbannen naar Stokkem. Kan ik bij de incestdebielen gaan wonen. Dat wil je toch ook niet! Godverdomme, zeg! Wat moet ik daar gaan zoeken?!

Koffie dus, met Geertje. Hoe dat afliep, vertel ik u een andere keer. Kwestie van u geboeid te houden, beste lezer. Stel u voor dat ze niet komt opdagen, dan hebben we tenminste elkaar nog. Kunnen we samen virtuele koffie slurpen. Met een virtuele praline, die ik dan met mijn ongewassen virtuele handen in mijn virtuele mond steken zal. Of in die van u. Stel u dat maar eens voor….! xxx

Advertenties

Muiterij

Geplaatst op

Ineens stond ze voor mijn deur (en als ik zeg ineens, dan bedoel ik daadwerkelijk plotsklaps, als een donderslag bij heldere hemel, maar ook weer niet helemaal want we zouden ons treffen maar ik voelde me niet zo lekker en stuurde dan maar een berichtje dat ik er niet geraken zou…). Ik kon haar alleen maar aangapen. Zij stond daar als een uit zijn context gesnaaide oneliner. Verdoemd misbegrepen…

Ze duwt mij aan de kant, loopt instinctief naar de keuken (koffiegeur), trekt een stoel onder de tafel uit en plant zich neer in mijn huis. Zo. Zegt ze. Je voelt je niet zo lekker? Ik haal mijn schouders op. Zeg dat ik een dipje heb. Zeg dat ik elk moment in een depressie sukkelen kan. Geertje zucht.

Weet je, zegt ze. Het probleem is niet dat jij je ongelukkig voelt. Het probleem is dat je denkt dat dat een probleem is. Het probleem is dat jij (en met jou zowat de hele maatschappij) denkt dat ongelukkig zijn een aandoening is. Een abnormaliteit. Die zo snel mogelijk uit de weg geruimd moet worden. Want wie wil er nu abnormaal zijn?

Ik wil niet abnormaal zijn, maar wellicht was het een retorische vraag, dus ik zwijg.

Meer zelfs, vervolgt ze haar monoloog, ik denk dat wij mensen fundamenteel ongelukkig zijn. Dat precies de miscontente conditie van ons mensen maakt. Immers, wat onderscheidt ons van andere primaten?

Ze wacht op een antwoord. Geen retorische vraag. Ik weet het niet. Ik haal opnieuw mijn schouders op. Ik ben terug een klein meisje in het eerste leerjaar dat niks weet en niks kan.

Geertje haalt haar regel boven. Duwt hem onder mijn neus. Wij, dametje, wij zijn scheppers! Wij maken dingen. Wij creëren nieuwe werelden. Wij begoochelen elkaar en onszelf. Wij zijn de goden in dit schouwspel. En wat, denk je, triggert ons om dat te doen? Waar halen wij de energie om steeds maar weer iets nieuws te bedenken? Om telkens opnieuw de bestaande dingen omver te werpen en helemaal opnieuw te willen beginnen bouwen? Wat zet ons aan tot muiterij?

Ik gaap haar aan. Zo onnozel als ik kan.

Ze springt op tafel en zwiert hevig met de regel boven haar hoofd, alsof ze bliksem en donder uit het onbestaande wolkendek wil lospeuteren.

Dag 6 - Held

Wij creëren omdat we miscontent zijn! Depressief. Ongelukkig. We dobberen als het ware in een kliederboel van ontevredenheid. Steeds dieper. Steeds lamlendiger. Tot we bijna kopje onder gaan. Tot we inzien dat onze huidige situatie uitzichtloos is en dat we hoogdringend – het allerhoogst – een staatsgreep moeten plegen en een nieuwe orde, een nieuwe wereld MOETEN uitvinden. Dát, dametje, is onze conditio sine qua non.

Wees dus, godverdomme, content dat je miscontent bent! Al die blije, onnozele mensen, het zijn primaten, niet meer dan dat! Wees tevreden dat je niet tevreden bent. Dat er een fundamenteel menselijke kracht in je borrelt! Godverdomme!

Ze springt van tafel. Slaat me rond mijn oren. Vloekt zeven rozenkransen bijeen. Smijt een doosje antidepressiva met een smak in de vuilbak. Weg ermee! Ze willen apen van ons maken! Snap je het niet?! Wat gebeurt er met een gorilla wiens alfarol uitgespeeld is?

Ik weet het niet, Geertje. Ik weet van niks.

Zijn serotoninegehalte stuikt ineen. Opdat hij gehoorzaam en gedwee zou zijn. En blij. Tevreden met zijn onderdanige plek, ergens beneden op de sociale ladder. Gewillig om de nieuwe alfa-aaps voeten te kussen, ballen te likken, op handen en voeten. Godverdomme! Alfa-aap is groot! We houden van Alfa-aap! Alfa-aap is groot! En hij doet gewillig en compleet tevreden en content, mee! Hij dicteert niet langer. Hij creëert niet langer. Hij is gedwee. Blij. Onnozel. Godverdomme!

En jij ‘geraakt er niet vandaag’ omdat je een dip hebt? Ik zou je ogen uit je kop willen rukken!

Hijgend staat ze voor mij. Ik sla mijn ogen neer. Ze heeft gelijk. Denk ik. Wat weet ik nu? Niks.

Zij veegt de zweetspatten van haar voorhoofd en het slijm van haar bek. Zo. Zegt ze. Is er koffie?

Geertje, Sappho & Diane Vandeputte

Geplaatst op

Diane Vandeputte was een nieuwe moeder aan de schoolpoort. Snel vernam ik dat ze ook schrijver was. Toen zij op haar beurt leerde dat we beiden met de pen brood op de plank toveren, baande ze zich resoluut een weg doorheen mijn gesloten dampkring en stelde ze zich trots, doch innemend voor: Hee. Ik ben Diane. Vandeputte. Wellicht ben je bekend met mijn werk? Ik hoor dat je ook schrijft?

In gedachten schudde ik mijn schubbige vel terug op zijn plaats. Ik hapte naar asem en trok mijn ogen wijd open. Een aanval. Kennismaking, zegt men in de volksmond. Ik relativeerde mezelf. Zei dat ik sprookjes, kleutertoneeltjes en soms ook perverse ontmoetinkjes uit mijn pennen toverde. Met Geertje en zo. Diane knikte. Bewierookte zichzelf. Literaire, feministische opiniestukken en poëzie. Over Sappho en zo. Ik taste haar af met mijn ogen en voelde hoe alle letters in mijn hoofd koppig afdaalden naar de bodem van mijn buik. En hoe ze daar knorrige geluiden veroorzaakten, die doorheen mijn slok- en luchtpijpen op en neer bewogen. Mijn lijf, een orgel. Mijn hoofd, een basdrum. Mijn blik, crashend tussen de kiezelstenen onder mijn voeten.

Misschien moesten Geertje en Sappho maar eens koffie gaan drinken?

Ik keek rondom mij. Vroeg me af wie deze zin in de ether smeet. Diane knikte vriendelijk. Of het ook thee mocht zijn? Ze had geen idee hoezeer deze ogenschijnlijk onschuldige repliek de voorbode zou zijn van een heus fiasco.

De volgende dagen bracht ik de kinderen veel te vroeg en haalde ik hen veel te laat weer op van school opdat onze wegen zich niet meer zouden kruisen. Toch bleef de rendez-vous in mijn agenda staan. Ik had gehoopt dat de letters zouden vervagen, maar dat gebeurde niet. Integendeel. Ze dansten steeds zwoeler, steeds gevaarlijk dichter tegen de kantlijn. Tot ze zich als junikevers uit het papier tolden en steeds hoger vlogen tot ik ze wel slikken moest.

sappho

Ik duw de zware deur van het koffiehuis open en laat mijn blik voorzichtig over de oude vloertegels glijden. Van bloedspatten geen spoor. Enkel een slijmsliert. Een vreemde asbak in de vorm van een tiet trekt mijn aandacht. Koffie smaakt altijd beter in een waas van sigarettendamp. Ik duw de melkachtige substantie aan de kant en zie Diane zitten aan een tafeltje bij het raam. We knikken. Bestellen een koffie. En een thee. Onheil sluimert mijn bovenkamer binnen. Zie ze snuffelen, lacht de schrijfster terwijl ze met haar kin wijst naar Geertje en Sappho, die elkaar verderop aan een tafel aftasten. Er wordt geloerd, gesnoven en gefronst. Men komt dichterbij en trekt zich dan weer terug. Er wordt om hete brijen gedraaid, er wordt gestritst, territoria worden afgebakend en dan… dan stuift Geertje op. Haar stoel schiet naar achter, haar knokkels op tafel, haar smoel bedreigend dichtbij die van Sappho. Haar tanden bloot.

Ik moet je waarschuwen. Ik lijd aan amygdalafantoompijnen. Die boodschap wordt raar bekeken. Het gaat hier immers over een anachronisme maar ook dat bestond toen nog niet. Een anachronisme avant la lettre als je wilt. Schrijf daar maar eens een gedicht over! Of een feministisch opiniestuk!

Diane voelt Geertjes blik ook op háár gelaat en nipt zenuwachtig van haar thee. Thee! Voor losers, zeg ik. En ik zou het koekje misschien negeren. Fantoompijnen. Daar hadden we het over. Van de amygdala.

Hierdoor kan ik volledig rationeel en zonder druk om op sociaal gewenste wijze te reageren, in het leven staan. Feminisme dus. Ik huiver van het woord. Alsof we zelf controle zouden hebben over onze rol, onze status in de maatschappij. Dat is, lieverd, bi-o-lo-gisch allemaal voor ons geregeld. We hoeven dat niet uit te vinden of zo. We meanderen met de stroming mee. Je strijdt tegen vrouwen aan de haard? Ik ben het daar maar gedeeltelijk mee eens. Kijk, dametje, wij hebben het weliswaar voor het kiezen, maar dan… maar dan. Dan zit je natuurlijk met de gebakken peren. En dan kan je er maar voor zorgen dat je je zo goed mogelijk uit de slag trekt. Een extraatje nu en dan is mooi meegenomen. Een must? Misschien. Een plus? Alleszins. Ik hoef je dat niet uit te leggen in hedendaagse termen, daarvoor ben je te hellenistisch. Of prehistorisch. Of fabelachtig. Wie zal het zeggen. Of toch? Snap je het niet? Is je rationeel vermogen ondertussen zo grotesk dat je het eenvoudige niet meer begrijpt? Wat is er? Ben je bang dat ik je aanvallen zal? Dat doe jij al heel de tijd. Met je ellebogen doorheen mijn dampkring. Gelijk de prins in het doornenbos. Alleen wil ik niet gekust worden. Zie je niet dat ik al lang wakker ben?

Dianes ogen pingpongen van Geertje naar Sappho en dan weer terug naar mij. Haar thee is verdampt. Ze sabbelt al tien minuten op haar koekje dat nu in slijmerige slierten van haar mondhoeken naar haar kin glijdt.

Ik lach. Bied haar een servet aan. Ik begrijp deze conversatie beter dan wie ook.

In dat opzicht lijkt het mij voor vrouwen, moeders zeg maar, ideaal om een thuisjob te hebben. Nee, niet aan de haard, je hoeft niet zo lelijk te kijken. Ik zei: thuis-job. En in dat opzicht vind ik die webcam-dames héél erg intelligent. Biologisch intelligent. Snap je? Aangepast. Zij zogen hun kroost, verzamelen gouden vruchten en houden tegelijk het hol proper. Er hoeft niks opgeveegd te worden. Dat kan je over de andere zijde niet zeggen. Daar kan men na het swaffelen ook swifferen!

Ik lach. Diane kwijlt. Sappho heeft zich een tiet afgesneden en richt een pijl op Geertjes hoofd. Ik duw haar aan de kant. Amygdalaloos. Trut. Wat wil je? Diane komt er nu ook bij staan. Grist de pijl uit Sappho’s handen en steekt haar in haar sacoche. Dat ik niet wijs ben. Dat er stukken aan me zijn. Opiniestukken, denk ik. Ze schudt haar hoofd. En ook geen poëzie. En dan verdwijnt ze in een stofwolk van sociaal correcte ideeën. De tiet ligt verweesd op tafel. Een slijmerige sliert van koek en thee gonst over de vloer.

Knokenkooi

Geplaatst op

Weet je, zegt ze. Ik ben het oneens. Met wat, denk ik. Je bent het oneens met wat? Geertje? Ze schraapt haar keel, laat er zwarte koffie door glijden, kijkt me resoluut aan en begint dan aan haar verhaal.

Men beweert dat wij gemeenschapsdieren zijn. (Ik verwacht nu een fabel waarin ik in de kudde woon en waarin zij mij en de rest van mijn imbeciele graasroedel vanaf een hoger gelegen punt – een heuvel, een schuurtje op een berg, een boom op een rotsformatie – aanschouwt.) Die queeste naar gemeenschappelijkheid. Gemeenschappelijkheden. Dát. Ik ben het daarmee oneens.

Ik knik. Denk dat ik weet waarover ze spreekt. Jij bent liever uniek. Zeg ik. Jij, jij bent liever geen schaap. Is het niet, Geertje?

Ze verslikt zich. In haar hete koffie. Kijkt me aan alsof ze het hoort donderen in Keulen en ver daarbuiten. Herpakt zich. Denkt wellicht dat ik zo imbeciel geboren ben. Dat ik er niks aan kan doen.

Ik denk, zegt ze. Dat niet gemeenschappelijkheid, maar afzonderlijkheid onze meest fundamentele eigenschap is. Onze conditio sine qua non. Dat wij maar kunnen leven in die afzonderlijkheid, als in een kooitje. Waarvan de spijlen gemaakt zijn van knook, waarvan het glas doorzichtig vel is. Totaal afgezonderd van de wereld, als een museumobject, losgerukt uit zijn natuurlijke omgeving. Die wij ondertussen vergeten zijn. Is het de ruimte? Is het ergens één of ander hol, diep in de aarde? Is het in ons onderbewustzijn? Hoe ontheemd kun je zijn? Als je niet meer weet waar je vandaan komt? Enkel de afzonderlijkheid redt ons van de waanzin van de ons omringende chaos. Breek het kooitje en we versmelten in pure gemeenschappelijkheid met de wereld.

Dood, noemt men dat. Morsdood.

door het raam

Ik denk aan wolkenslierten. Aan het spel van licht en schaduw in mijn woonkamer. Aan water. Aan mazelen. Aan badschuim op mijn glas. Aan gekietel aan mijn spijlen. Aan melk in koffie. Aan al wat vervloeit.

En verdwijnt! Vult ze aan. Alles wat vervloeit én dus verdwijnt.

Kan je denken aan wat niet is? God. Opper ik. Fantoompijn.

We drinken onze koffie leeg. Staren. In de ruimte. Waar mijn gedachten versmelten met die van haar. Waar ze verdwijnen. In de leegte van onze gemeenschappelijkheid.

Geertjes kerstwens

Geplaatst op
Geertjes kerstwens

Een dag voor Kerstmis had ze eraan gedacht om een schuimende cappuccino te bestellen. Een heerlijke feestgedachte waarvan je geen uitputtingsverschijnselen zou vertonen. Vervolgens bestelde ze een normale koffie. Zwart. Zonder suiker.

Ik besloot de rendez-vous met open armen te ontsluiten.

Wat mag jouw kerstwens zijn, dit jaar? Vraag ik tegen wil en dank. Ze kijkt me ongelovig aan. Echt? Of ik dat echt weten wil? Ik knik zo onnozel als ik maar kan. Mijn neus bloedt. En druppelt rode kersen op het taartje dat we voor de gelegenheid bij de koffie kregen. Ik zou er niet in durven bijten. De gedachte alleen aan haar afkeurende blik, haar teleurgestelde zucht zou mijn ledematen controleren als een visdraadje de marionet.

Ze neemt een slok en kucht een eenzame kikker weg.

Ik wens. Zegt ze. Meer oorspronkelijkheid. Ik wens dat men alle boeken op de brandstapel gooien zou. Op een aantal uitzonderlijke meesterwerken na. De enige boeken die ertoe doen. 1984. George Orwell. Als een glazen bol. Waarin iedereen kijken mag. Met het risico dat je ogen ontploffen als je het onoverkomelijke niet dragen kan. Je zou in dat geval een sprookjesboek kunnen lezen. Maar die liggen op de stapel. Lagen op de stapel. Zijn nu een vlokje as. Vervolgens: Het volledige oeuvre van Vladimir Nabokov. Omdat je enkel mooi denken kunt in mooie taal. Denken is taal. Je stelt je de vraag waarom de jonge garde enkel in slogans en ongenuanceerde stellingen denken kan? Omdat die jonge lui enkel kort en bondige taal lezen en schrijven. Twitter. Emoticons. T-shirts. Sms. En ook wel: video’s. In een notendop: Krachtkreten, Symbolen & Performance. Oewoewoewoewoe, Totems & Dromen van Sjamanen. Je waant je in een Indiaanse stam.

Ik kuch. Ze heeft het gezien. Nu moet ik kleur bekennen. Ze knikt met haar kin. Wat? Welke onzinnige gedachte kleeft er op je voorhoofd? Ik zeg dat het Native Americans zijn. Echt? Ik haal mijn schouders op. Denken is taal. Denk ik. Ik denk in lange tenen. Ik denk in kwetsbaarheden. Gevoelige zielen. Ik denk dat het Kerstmis is. En dat iedereen vandaag vrede verdient. Syrië. Mensen zonder huis. Mensen zonder familie. Kinderen. Alleen in een tentenkamp. Godverdomme. Dat denk ik, Geertje!

Ze haalt haar schouders op. Zegt dat zij steeds het grotere plaatje bekijkt. En dat haar uitzonderlijke stapel nog een kers verdient. Als een blinkende, rode druppel. Tongkat. Peter Verhelst. Omdat alles altijd tegelijk gebeurt. Omdat letters en cijfers inwisselbaar zijn. Omwille van de schoonheid ook. Weeral. Echte liefde is schoonheid. Van chaos die culmineert in nieuwe ordes. Die dan weer zichzelf onderuit halen. Chaos veroorzaken. Zoals het ook ons vergaat. Altijd weer opnieuw.

En voorts mag je elk verhaal zelf bedenken. Dat wens ik de mensheid toe. Oorspronkelijke gedachten. Dat zullen er maar een handjevol zijn. In heel je leven. Dat is méér dan het heen en weer gewauwel dat je nu produceert. Zinnen die voor eeuwig onaf zijn. Die steeds weer komma’s achter zich opgooien. Gelijk een mol. Gestuwd door het gegraaf achter zich. Blind voor wat komen gaat. Een stroomstoot. Doodslag met de schop. Kwijlende tuintijgers. Onnozel hopend. Ophopend. Een volgende, weerzinwekkende, betekenisloze bijzin. Achter de komma. Hoop na hoop. Want dat doet leven. Zegt men. Onzin. Uitstel van executie. Hoe blij word jij van molshopen in je tuin? Jij doét niet anders. Virtuele hoop na virtuele hoop uitbraken. Lang leve de hoop. Lang leve Kerstmis. Lang leve de onnozele kinderen. Lang leve de herkauwende massa.

Ik kijk haar beduusd aan. Wat is dat voor een kerstwens?

Ze knikt. Zegt dat ze het snapt. Wensen behoeven een ritueel. Ze maakt klauwen van haar vingers. Gritselt al haar woorden tot een wolk bij elkaar. Knoopt er een strik rond. Van Geertje voor mij. Zalig Kerstfeest.

Denken aan al wat is

Geplaatst op

Ik doe de deur van ons stamcafé open en zie haar al zitten. Je mag zeggen over haar wat je wilt, op tijd komen doet ze. Altijd. Liever nog is ze te vroeg. Controle. De touwtjes in handen. Dat soort dingen.

Ik weet dat zij mij ook ziet. In haar rechterooghoek. Maar opkijken doet ze niet. Ze lepelt haar koffie om en om. Alsof ze haar hersenpan omroert. Ideeën losweekt van de bodem. De smaakmakers van elk verhaal.

Nog voor ik plaatsgenomen heb, schuift ze een boek naar me toe: Denken over al wat is. Tussen de ‘wat’ en de ‘is’ heeft ze in zwarte drukletters ‘NIET’ gepropt: Denken over al wat NIET is, staat er nu.

Is dat niet precies wat we doen? Een retorische vraag. Ik kan maar beter knikken. Al weet ik het nog zo niet. Ik weet niks. Dat weet ik ondertussen. Zij nipt aan haar koffie en vervolgt haar monoloog. Zonder me aan te kijken. Lepelend. Weet je wat wij zijn? Wij zijn kunstenaars, makers, wij vervormen de wereld rondom ons, wij geloven in het onmogelijke, het onbestaande, wij hebben lak aan al wat is, wij willen iets meer, iets waarvan en waar doorheen ons bloed stroomt. Iets wat nog niet bestaat en dat altijd al heeft gedaan. Niks is onmogelijk. Een laagje lak op niks en het is iets. Wij vinden dat het iets is. Dat het iets betekent. Dat het de moeite waard is. Iets om voor te leven en te sterven. De heilige graal. Nondedju. Daar denken wij over, schat. Over niks.

Wat hou ik van haar. Ik slurp van elk woord dat uit haar mond dwarrelt. Fladdert. En met een smak valt op de ijskoude vloer. Het woord dat zin wordt. Sowieso. Waar heeft ze het in gods naam over? Het kan me niks schelen. Poëzie moet je drinken. Of rechtstreeks in het bloed.

Het ergerlijke aan heel die kwestie – ze kijkt me nu strak aan – is dat we:

1) dat een bijzondere gave vinden (de Maker is groot!)
2) aureolen kleven boven deze lagen lak (blijf met je fikken van mijn Sprookje!)
3) niet beseffen dat we dit constant doen (geloof jij nog in Sprookjes?)

Constant. Niet enkel in het keramiekatelier. Wij beduvelen onszelf dag in, dag uit met maakseltjes. Laagjes lak. Lucht. Gebakken als het kan. Omdat we dat waard zijn. Wij verdienen een hemel, een dak boven het hoofd van wat is. Wij verdienen tempels en goden. Wij verdienen troost. Schoonheid. Een sprookjesleven. Met tentakels tussen lang geleden en ooit ver weg. Daarover koorddansen wij. Balancerend. Over ingebeelde spinnenwebben. Zijden draadjes. En terwijl we daar staan. Met de diepte onder ons en geen baldakijn, geen wolk om ons aan vast te grijpen, nemen wij ons sabel en we meppen. We meppen alle andere elfen, kabouters, kruisvaarders die ons de weg versperren, neer. Want wij zijn godverdomme op weg. Naar alles wat niet is.

Er was eens – ze beglimlacht me breed – een man die neerpende dat de zonsondergang is zoals het laatste vers van een gedicht. Een filosofische, universele samenvatting van de dag. En hij pende dat zo verschrikkelijk poëtisch – profetisch bijna en ook wel met een tikkeltje romantiek in zijn stem – neer dat iedereen hem geloofde. En de zonsondergang werd vers en de dag poëzie. En wij geloven dat. Het gebeurt immers voor onze ogen. In onze buik knettert die waarheid met een onweerstaanbare, ondraaglijke leegte.

Omdat het lak is. Liefje. Lak waaraan wij ons denken, onze spierkracht, onze liefde verspillen. Drup, drup, drup. Liters bloed, zweet en tranen. Voel je ze uit je poriën kruipen? Want ook jouw creatie is heilig. Plak er een gouden nimbus boven. Een verblindende stralenkrans. Een aureool. Zodat je niks meer ziet. Want daar buiten is het koud en gevaarlijk. Daar buiten heerst chaos en willekeur. Daar buiten zijn wij overgeleverd aan de meedogenloze tijdloosheid van al wat is.

Ze slurpt haar koffie in één teug naar binnen. Schudt met haar hoofd en met haar schouders. Slikt. Staart een antwoord uit mijn strot. Vind je ook niet?

biebklein

Stapel

Geplaatst op
Stapel

De stilte tussen ons was geëvolueerd. Van kwellende minuten over ongemakkelijke lichtjaren tot wat het nu geworden was: glijmiddel. We zaten tegenover elkaar. Roerden in onze koffie. En we gleden. Terug in de tijd die altijd opnieuw geboren werd. En naar de toekomst die we altijd voorvoeld hadden.

We deden onze ogen simultaan open. Bestelden een nieuwe, hete koffie. Geertje duwde het melkpotje en de twee klontjes suiker naar het midden van de tafel. Wat een verspilling. Wist men na al die tijd nog steeds niet dat ze een zwartdrinker was? Of dacht men dat dat op elk ogenblik veranderen kon? Wij wisten dat dat niet zo was.

Weet je, zegt Geertje. Je moet het leven, de werkelijkheid bekijken in panoramazicht. Als één geheel. Doorzichtige tijdvlakken die op elkaar gestapeld zijn. Je ziet elk vlak maar tegelijk zie je ook de stapel. Dat scheelt een hoop ergernissen. Laat het gepeupel maar discussiëren over onbestaande betekenislagen, de stapel wankelt niet. Dat is een fijne gedachte.

Ik frons mijn voorhoofd. Probeer af te dalen in de kelders van mijn brein. Dan zit je in je buik. Mijn ingewanden schreeuwen dat wij het hiermee niet eens zijn. Vrije wil en zo. Liefde. Het steentje en de meander. God. Liefde.

Geertje lacht. Zegt dat ik haar maatstaf ben voor het ordinaire, het banale, het onbeduidende. En bedankt daarvoor. Dat mijn triviale manier van denken haar weerhoudt om lekker gezellig te zijn, een sociaal wezen, een kuddedier, een schaap zeg maar. Dat er best ruimte mag zijn voor the lone wolf, de eenzaat, de kluizenaar in zijn hutje bovenop de stapel. Die zijn vingers kromt tot verrekijkers. De meute ziet aanstormen. De meute de aftocht blazen ziet.

Ze klimt bovenop ons tafeltje. Dat het allemaal de schuld van het verdomde socialisme is, declameert ze. Dat wij ons zouden moeten schamen. Dat we armoede toelaten in onze kudde. Schaam u! Dat we hulpbehoevendheid toelaten. Schaam u! Dat wij waanzinnige ideeën toelaten. Die buiten de stapel onbestaand staan te schaterlachen. Schaam u! Gooi ze uit de kudde! Verf ze zwart! Smijt ze van de stapel! In de eeuwige niksheid. Dobberend. Tussen onbestaande betekenislagen. God de vader. Liefde. Kunst. Vrije wil. Barmhartigheid. De heilige boeken. Weg er-mee!

De mensen kijken naar ons. Dat zouden ze blijven doen. Het heeft en het had en zou nooit zin hebben om haar te bedaren. Deze scène stond gebeiteld. In de stapel. Snap je het nu?

Ik knik. Geertje is gek. Knetter. Stapel. Toeval bestaat niet. Ze kan er niks aan doen. En ik ben banaal. Ordinair. Onbeduidend. Ik ben het meisje uit American Beauty. Maar dan lelijk. Ook dat nog. Ik zou me naakt strippen om gezien te worden, gehoord. Geertje? Ik wil ook wat zeggen. Ik…

We glijden. Naar de dag waarop men Kat met Pruimen serveert. Dat is lekker. Is het altijd al geweest, zegt Geertje. Zie je nu wel?

second part of my life

Geluk volgt uit tevredenheid en tevredenheid is een keuze

In de stilte

berichten en brieven, notities, teksten en radio-werk, tekens van leven en sterven, aanwezigheid en afwezigheid, labo en latrine, liefde en leed.

De Laatste IJsschots

Muziek, film, literatuur, poëzie, theater, podcasts, natuur en media.

Evy Van Eynde

Freelance theatermadam, schrijver, docent & creatieve duizendpoot

Woordzoeker vzw

Muzische, artistieke taaleducatie voor kinderen, jongeren en volwassenen

Het Ontstaan

Hoe de woorden zich bewegen en vorm worden

Kim in de pen blogt

Belevenissen van een maandagskind

Van Mij Naar Jou

Sabine van Deudekom

ben zo terug!

En toen was er...

Niels Hagen, een persoonlijk filosofisch weblog

Over: duurzaamheid, film, kunst, liefde, literatuur, muziek, politiek, sport en wetenschap

Rolf van der Leest

GEBUNDELDE KARAKTERS ALS PROVIAND VOOR DE GEEST

gedacht & gedicht

en soms wat meer gedicht dan gedacht

pazzidiparole.wordpress.com/

Ann Van Dessel - Erwin Steyaert - Hilde Pinnoo

Lettergoesting in avondland

Over kunst en letters en hun plaats in mijn leven

Fotogedichten van Lenjef

Losse gedachten in woord en beeld gevangen ©

Places Unknown

Dmitrii Lezine's Places Unknown is fine art and travel photography from around the world. Enjoy!

Figments of a DuTchess

not noble, just Dutch

Jonas Bruyneel

Literatuur/Journalistiek/Muziek

LouTerLou, I'm telling you

blogs, columns, life

Loessoep

I'd rather be a verb than a noun

Margo Hermans

Blog what you live; don't live to blog.

Lettersmid

Vindt (de) zin

Goed Gezind

Terug naar de eenvoud

Kluger Hans

Online platform

Waar mijn pen ligt, ben ik thuis

Wherever I lay my pen, that's my home

KING BILLY's REPUBLIC

For whatever it's worth

ilcavallobianco

corri, corri mezza prato

Alowieke

Ik kijk en ik creëer

Stop Shop 2014

we stoppen de shopping waanzin (voor één jaar)

Jean Philip De Tender

everything is a story

kribbels uit mijn leven

een kijk in mijn gedachten en de gebeurtenissen uit mijn dagelijks leven, heel gewone dingen, misschien ook wel heel bijzondere......

Taaldacht

Mijmeringen over de aard en wortels van onze taal

Juliecafmeyer's Blog

Just another WordPress.com site

sarahgoodreau

things and not things.

Door Suzanne

De beleving in al haar facetten

Opmerkelijke Manieren

mijn ervaringen als lid van Mensa

akim a.j. willems

pssst...het menu van deze site vind je dààr in het hoekje = = = = = = = = = > > > >

Groove Garden

Adriaan Kuipers

Spiegelingen

Mijn wereld in spiegelbeeld

Kaat Kladdert

Kaat kladdert erop los

Ketogeen... en... Wat ?

Zelfexperiment van ketogeen..... eten ! En ? Hé ? Ja dat !

%d bloggers liken dit: