RSS Feed

Tagarchief: Column

Zwart schaap

Geplaatst op

Onze dagelijkse wandelroute meandert vrolijk tussen koeien- en schapenweiden. Eentje herbergt een kudde verse lammetjes. Met zo’n twintig witte en precies één zwart schaapje. Het Letterkind plakt haar blik op de donkere pluisbol en laat haar ogen dan pingpongen tussen de witte krullenkopjes.

“Hoe komt dat, eigenlijk, mam? Dat er zo één zwart schaap tussen loopt?”

schapen

Mijn brein begint te tollen. Heel snel en heel stoffig. Tot mijn hersenen de pan uit zwieren en zo’n twintig jaar terug de tijd in vliegen. Ik zie mezelf aan de hoge lessenaar zitten in de les Natuurwetenschappen. Vooraan staat een mager ventje iets met handen en voeten uit te leggen: Meneer Rosius. Hij had de ondankbare taak om ook de niet-wetenschappelijke richtingen toch iéts bij te brengen over biologie, chemie en fysica. Het was niet aan ons besteed. Maar Meneer Rosius liet zich daardoor niet van de wijs brengen. Hij bundelde al zijn enthousiasme voor zijn vak in zijn pezige lijf en raasde hyper avant la lettre als hij was door de stof die hij ons desnoods eigenhandig de strot zou induwen.

“Schrijf op!” riep hij dan, hapte naar adem en vlamde de ene halve zin na de andere uit zijn mond en op ons blad. Meestal hield ik de interpunctie voor het laatst. Als alle stukjes zin op mijn papier stonden, strooide ik er wat komma’s, punten en vooral veel vraagtekens tussen en hoopte dan dat ik thuis alles met een magische spreuk zou kunnen ontraadselen.

Andere keren stond hij als een grijze tovenaar die tegelijk ook wat weg had van een wielrenner op een oude postkaart, met bunsenbranders te zwaaien of liet hij iets ontploffen (om ons wakker te schudden) of stond hij met zijn onrustige hoofd te schudden wanneer dezelfde jonge dame weer eens flauwviel nét voor een toets.

Van zijn lessen is me niet veel bij gebleven (het waaide gewoon keer op keer uit het raam in mijn bovenkamer) maar op één of andere manier herinner ik me wel nog hoe dat ene zwarte schaap in een witte kudde terecht komt. Toen ging het niet over schapen maar over erwtjes (geloof ik). En ze waren niet wit en zwart, maar groen en geel. En één van beide was dominant en de andere dus onderdanig (“Zeker, Meneer. Absoluut, Meneer. Komt in orde, Meneer!”). Om een lang verhaal, dat bovendien neergekribbeld staat in gebroken zinnen met veel vraagtekens in één of andere hersenkwab in mijn koekenpan, toch ietwat te kortwieken, zeg ik (terwijl ik mijn pauwenstaart openvouw) tegen het Letterkind:

“De boeren zetten altijd één zwart schaap in een witte kudde omdat dat onheil voorkomt. Meer moet je daar niet achter zoeken.”

Elise met schaapje

Pano

Geplaatst op

Op een dag beslissen twee Roodkapjes te verhuizen naar het witste dorp van het land: Tremelo. Een kleine gemeente vol van Boze Wolven waar men nog nooit een Roodkapje gezien heeft. Daar, in het witte Tremelo, openen ze een winkeltje met allemaal Roodkapjesspullen. Maar de Boze Wolven van Tremelo willen helemaal geen Roodkapjeswinkel in hun dorp! En hoe de lieve Roodkapjes ook koekjes uitdelen en handjes en glimlachen en kortingsbonnen, ze zijn niet welkom. De Boze Wolven roddelen over hen. De Boze Wolven zijn op hun hoede, vrezen dat een heuse Roodkapjesinvasie binnen de kortste keren hun mooie, witte Tremelo overspoelen zal. Gelukkig krijgen de Roodkapjes hulp van een moedige jager. Die manipuleert de boel een beetje zodat de Boze Wolven uiteindelijk de Roodkapjeswinkel toch nog bezoeken, proeven van de koekjes en moeten concluderen dat die Roodkapjes zo slecht nog niet zijn. En ze leefden nog lang en gelukkig.

Net zoals in dit sprookje, portretteert de VRT in zijn nieuwste duidingsshittelg Pano mensen als stereotypes, karikaturen. Karima & Mohammed mogen Roodkapje spelen: het sympathieke slachtoffer, welwillend, onschuldig en vol goede moed. De modale Vlaming mag Boze Wolf zijn: de schurk, wantrouwig, vals en gemeen. Gelukkig snijdt een moedige redactieploeg dit actuele thema aan als de gevulde wolvenbuik uit het sprookje.

Het programmaboekje belooft vervolgens inhoud, diepte en antwoorden. Ik stel mij ten eerste de vraag op welke vraag men antwoorden zocht. U hebt ze vast gezien, maar ik ben weinig vraagtekens tegengekomen in dit VRT-sprookje. Dat komt vast omdat de jager een belerend, moreel superieur vingertje in mijn ogen stak. Dat verblindt, weet u wel.

Hij had misschien kunnen vragen:

Waarom de Boze Wolven wantrouwig zijn.

Of de Roodkapjes dat misschien zelf ook zijn in Roodkapjesstad.

Of het niet eigen is aan sprookjesfiguren dat ze wantrouwig zijn ten opzichte van het vreemde, het onbekende? Of dat misschien ingebakken is? Of dat misschien gecultiveerd wordt door:

  • Ons onderwijssysteem dat kuddegedrag & -denken aanmoedigt
    (allemaal in de rij, we nemen nu onze schaar, we gehoorzamen en zijn braaf)
  • Onze aparte woonwijken, onze aparte scholen, onze aparte levensbeschouwingslessen, onze aparte restaurants, onze aparte relaties, enz)
  • Een ons ingefluisterd ontwijkend onderling contact (vraag niets, beledig niet, lach niet, tracht niet te begrijpen, toon je onbegrip niet, toon je frustraties noch je angsten, leef op tolerante wijze compleet langs elkaar)
  • Onze subsidiemolen die projecten voor bepaalde kwetsbare sprookjesfiguren financiert en zo gemixte activiteiten ondermijnt (je gaat als fee toch niet naar een ‘ik-leer-toveren-feest voor toverzwakke figuren?!) 

Maar bovenal had hij zich vooral beter afgevraagd wat hij met dit stereotypische sprookje, met deze etalage van hokjesdenken, met deze negatieve schertsvertoning bereiken wil? Ik behoor tot de Boze Wolven. Ik vind dat beledigend. En met mij waarschijnlijk heel veel modale Vlamingen die elke dag trachten kleine bruggen te slaan, die proberen te begrijpen, die het gesprek aan blijven gaan, die frustraties wegslikken omdat ze politiek en moreel incorrect zijn. Wie tot de Roodkapjes behoort, is wellicht ook beledigd. Omdat ie opnieuw als zielig slachtoffer, als ongewenste indringer, als ruggengraatloze voorgesteld wordt.

Ik ken zeker modale Vlamingen die me aan de Boze Wolf doen denken. En Moslims die op Roodkapje lijken. Gelukkig ken ik ook andersgezinde modale Vlamingen. En Moslims die niet de hele dag door jammeren en gelijk een debiel koekjes uitdelen aan de pestkoppen in het bos.

Wordt het niet eens tijd dat we al deze niet-stereotype figuren uit ons sprookje aan het woord laten, in de schijnwerpers plaatsen? Wordt het niet eens tijd dat we de confrontatie aangaan met échte mensen? Mensen met angsten, met frustraties, met veel geduld (tot het op is), mensen met moreel incorrecte gedachten, mensen met vragen, met onoverkomelijke twistpunten die de samenleving te dikwijls reduceren tot langselkaarleving.

Laatst werd ik uitgenodigd op een Turks besnijdenisfeest. Ik was de enige Boze Wolf in een meute van 300 Roodkapjes. Ik heb mijn grote ogen uitgekeken. Mijn grote oren gulzig laten flapperen. Mijn grote tanden in die vreemde, onbekende cultuur gezet. Ik leef al heel mijn leven tussen Roodkapjes en ik ken hen niet. Er zijn dagen dat dit mij frustreert, dat dit mij boos maakt, dat ik mij schaam. Er zijn meer dagen dat ik er mijn schouders voor ophaal. Dat ik denk dat dit het beste is wat ik ervan kan maken.

Een programma als Pano versterkt dit gevoel. Deze onverschilligheid. Dit content zijn met oppervlakkige beschaafdheid. Omdat échte sentimenten veroordeeld worden als moreel incorrect. Als onaangepastheid aan de dwingelandij van een multiculturele samenleving als hoogste morele goed.

Ik wil wél vragen stellen. Ik verwacht wél inhoud en diepte en gelaagdheid van dit sprookje. Dit sprookje dat mijn leven is. Ons leven. Dus laat ons denken. Laat ons twijfelen. Laat ons zoeken. Laat ons elke dag opnieuw ons sprookje herkneden. Dat is wat wij mensen doen. De wereld rondom ons in een nieuw daglicht plaatsen, een nieuwe betekenis geven opdat we er ons thuis zouden voelen. Gelijk een kabouter in zijn bos. Gelijk Aladdin op zijn mat. Gelijk de keizer in zijn blootje.

http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/videozone/2.47177/2.47178

Feestdag

Geplaatst op

Het is feestdag vandaag. Dus vieren we feest. In de regen. We steken onze tenen in laarzen. Onze armen in regenjasmouwen. Onze hoofden in een kap, gestrikt onder de neus. We vlijen onszelf en onze hond in de auto. Rijden naar Negenoord-Kerkeweerd. Dat is een natuurgebied aan de oude Maas.

fluisterbootjes

Onderweg pikken we een lifter op. Hij ruikt naar haantjesparfum. We maken een kleine omweg om hem af te zetten op een feest dat stilaan in het water valt. We draaien ons om. Geen feestgedruis op ons feest. Niet vandaag. Onderweg kruist een hallucinerend beeld ons pad. De gigantische parking van het winkelcentrum Maasmechelen Village barst uit zijn voegen. Sluit ons op in een stoet. Stroomt over van auto’s van een shoppende massa uit alle uithoeken van het land. Van de Benelux wellicht. Mensen zetten het op een holletje. Houden hun shoppingbags tegen zich aan gedrukt. Graaien kinderen bij hun modieuze kraagjes. Trekken truitjes in pastelkleuren over hun schouders. Modderspatten tegen blinkende kuiten. De golven van de Zuid-Willemsvaart. Klotsen tegen de oevers, aan de overkant van de weg. Ik hou mijn adem in. Kijk in het rond. Alsof ik iets kwijt ben. De crisis. Waar is ‘ie naartoe? Ik zet grotere ogen op, hurk neer. Kijk onder een tunnel van auto-onderkanten. Gevallen muntjes, hete adem, verroeste onderdelen, wat vind je daar zoal? Geen crisis. Dat staat vast. We zijn hem kwijt. Verloren. Vergeten. Een stem roept dat ‘ie gevonden is. Aan het infopunt bij de grote fontein. Of iemand hem wil komen halen. Iemand moet hem beslist missen. Moeders wenden hun blik van de etalages naar hun rokken. Of daar nog iemand aan hangt. Een ijsje is meer dan verdiend. Straks. Als we flink geweest zijn.

MM village

De polonaise slaat links af. We ontspringen de dans. Rijden de vrolijkheid voorbij. Vier mensen halen adem. Blikken kruisen in spiegels. Op de achterbank zitten twee kinderen. Eentje in een grote, witte doktersjas om koude harten te genezen. Eentje met een zigeunerrok en weldra doorweekte sandalen om de regen te bezweren. Samen zingen ze kleine liedjes. Want het is geen tijd voor grote chansons. De tering naar de nering, ontsnapt uit mijn mond. Zweeft tussen de melodietjes van de meisjes. Vervlogen woorden in een vers, verdampend lied. Dat voor je het weet over iets anders gaat. Over een teerling en een eenling. Over de regen en de bever. Over even helemaal niets.

meerkoetjes

Spetter in het water

Geplaatst op

Ik kan het woord niet meer ruiken of zien. Laat mij het dus uitspugen: racisme. Zie het daar spartelen op de grond. In een plas van eigen uiteengespatte organen en lichaamsvocht. Walmend. Gefragmenteerd. Uit zijn omhulsel gespetterd. Je kan er in een grote boog omheen lopen. Dan nog kruipt het aroma in je kleren. Gelijk stijfsel. Het katoen kraakt tegen je vel. Je kan er doorheen lopen. Met rubberen laarsjes aan. En dan zingen van falderalderie falderaldera. Doen alsof je neus bloedt. Je kan erover uitschuiven. Vloeken en tieren. Dat je de plas niet gezien had. Je kan de handdoek in de stinkende ring gooien. Je omdraaien. Er vaart geen veerboot over troebel water. De oevers trekken zich terug. In het eigen nest. Polarisatie heet dat. Ook dat wil ik uitspugen. Polarisatie. Ruik je de stank? Trek je latex pakje maar aan. Geen mens geeft zich nog bloot in deze smeurie.

Wat we nodig hebben, dames en heren op de wallen, zijn succesverhalen. Inspirerende handdrukken. Ontmoetingen. Weg met het politiek correct denken. De motor van onze maatschappij is de grootst gemene deler. Diversiteit zijn de opties. Tof, maar niet essentieel. Tenzij je in een anarchie leven wil. Persoonlijk zou ik dat overwegen. Maar wie ben ik?

Diep in onze psyche zit een angst geworteld. Angst voor al wat anders is. Je hoeft me niet zo scheef te bekijken. Darwin zei dat ook al. En die wordt geloofd. In andere veldslagen. Eigen soort eerst. Dat is niet zo vreemd. Dat zit in ons vel. Dat moet je durven zeggen. De multiculturele samenleving is geen evidentie. Daar moet je heel bewust voor durven kiezen. Daar moet je angsten voor uitspugen. Slik ze vooral niet in. Daar krijg je maagkrampen van. Een verkrampte maatschappij ligt dan voor het grijpen. Je moet haar voeden met overeenkomsten. Bindlijm. Wat hebben we gemeen? Waarover kunnen we praten? Waar ontmoeten we elkaar? Ik geloof niet in een rendez-vous tussen wetteksten, opgelegde quota en kliklijnen. Wie gaat daar nu uit vrije wil zitten? Ik geloof in een ontmoeting tussen mensen. Echte mensen. Mensen die zingen en dansen. Mensen die kinderen opvoeden.Tranen plengen. Soep koken. Feest vieren. Elkaar troosten. Een dak boven hun hoofd bouwen. Afscheid nemen. Verhalen vertellen. Ruiken. Proeven. Voelen. Hoe de dag een traan wegpinkt als ze geboren wordt. Hoe ze zichzelf begraaft aan de einder. Hoe dat lot ook het onze is. Schoner wordt het niet. Ik geloof in taal. De overeenkomst van taal. Welke taal dan ook. Dat is hoe wij aansluiting zoeken met de ander. Dat is waar wij tot leven komen. In en door de taal. Moge die taal oprecht zijn. Dan zijn wij het ook. Zoekend. Aftastend. Met knikkende knieën. Hoopvol. Moge die taal niet moordend zijn. Dan zullen wij het ook niet zijn. Afwijzend. Veroordelend. Hard. Starend naar het eigen domme gelijk. Met de handen in de zakken. Bouw je geen brug.

alfred-j-kwak_

Laat je strikken

Geplaatst op

Ik parkeer aan het projectencentrum. Op de Oude Baan in Maasmechelen. Een dame staat tegen het fietsmuurtje, rookt een sigaret. Ik begeleid hier vandaag de workshop Knap Recycleren voor het project Laat je strikken. Vorig jaar engageerde ik mij als vrijwilliger. Ik ontwaakte toen stilaan uit een moeizame periode, een harde cocon waar ik uit moest groeien. Een winterslaap waarin ik mezelf begroef en heruitvond. Daar word je nederig van. En in mijn geval ook gul. Het leven had mij uitgespuwd en terug in de armen gesloten. Dan mag je wel eens iets terug doen. Een man vraagt of hij helpen kan. Ik draai me om. Knik. Samen dragen we een naaidoos en een stapel oude t-shirten naar binnen. Dat is fijn. Bedankt. Zeg ik. De man haalt zijn schouders op. Verdwijnt in het kelderdoolhof van het projectencentrum. Ik open mijn ogen. Klim op de naaidoos. Kijk uit over de t-shirtenheuvel. Er staat een dame in de knutselruimte. Ze heet me welkom. Dan volgt een kabbelende stroom van binnenkomende vrouwen. Een waaier van vrouwen. Een arsenaal van vrouwen. In een vredesmissie. Gehelmd of niet. Het doet er niet toe. Ze meren aan. Aan mijn voeten. De stroom zingt haar lied. Harmonisch. Klimt. Stuitert hoog. Daalt dan langzaam. Wiegt zichzelf op een stoel aan de overvolle tafel in het knutselhol. We praten over de impact van de textielindustrie. En over al die vrouwen achter hun machine in Bangladesh en in India. Over de rivieren die voorspellen welke kleur volgend seizoen in de mode zal zijn. Over het broos katoentje. En de vloek over de hennepplant. Over brandnetels waarvan iemand ooit nog touwen maakte. Met haar grootmoeder in een Turkse vallei. Over kringwinkels. En dat die stinken. Over miskopen. Iemand gooit een halve kleerkast op tafel. Mooie blouses in glimmende stoffen. Miskopen. Of iemand ze wil? We praten over onze verantwoordelijkheid in het verhaal. Dat we minder zouden moeten wassen, maar dan stink je net zo hard. En dat de was vandaag buiten aan de lijn zou moeten wapperen. De stroom roezemoest. Dat dat verboden is. Op je balkon. In Italië niet, daar rijgen ze waslijnen tussen gebouwen. Van de ene luifel naar de andere. En terug. Zo vetert men hele straten dicht. Maar in Maasmechelen mag dat niet. Het is ook geen zicht. Iemand haalt de schouders op. Ach wat. Het is allemaal de schuld van de staat. De stroomt knikt. Ik rond af. Dat we ook – en dat is wél plezant – dat we ook onze kleren kunnen recycleren. Maar eerst drinken we koffie. Toch? De stroom knikt opnieuw. Koffie. Of thee. Met koekjes uit de Aldi en zelfgebakken briochen.

Na de koffie deel ik stappenplannen uit. Van een t-shirtensieraad. Van een jeanshandtasje. Van een gevlochten riem – gespjes haal je op de Pauwengraaf. Dat ik geen stappenplan heb voor een helm. Er wordt gelachen. Helmen naaien, dat is als eten en drinken. Ik knik. Uiteraard. Het stroomlied laait terug op. Handen betasten stoffen. Ogen kijken zich blind. Aldikoekjes aan diggelen. De thermos is weeral leeg. De vrouwen splitsen zich. In twee groepen die ongegeneerd bij elkaar komen kijken. Ideetjes sprokkelen. Knopen ruilen. De helmengroep kiest glimmend polyester. De sieradengroep kiest katoen. Verder is er geen onderscheid. Ik help en ik leer bij. Dat de stikmachinehersteller niet dood is. Hij heeft alleen zijn winkel gesloten. Komt nu aan huis. Dat vlechten eigenlijk weven is. En dat je dat best met zijn tweeën doet. Teamwork, lach ik. De stroom kijkt op. Alsof één golfje een beek kan vullen. Alsof één golfje de stroming keren kan. Alsof één golfje kiezels kan meesleuren. Naar nieuwe oevers. Om daar een huis te worden. Met ernaast een boom. En een tuin. Waarin een kind schommelt. Waar een moeder door het raam kijkt. Tevreden glimlacht. Dat de vredesmissie geslaagd is. Vandaag. Morgen is weer een andere dag. In Maasmechelen. Op de Oude Baan.

Laat je strikken

 

De Dulle Griet

Geplaatst op

Dulle_GrietWie is toch die vrouw? Die vrouw die je in de blaadjes ziet. Die mij aanspreekt aan de schoolpoort. Die dame die zo fier toegeeft dat zij ploetert. Ploetert, nondedju. Met opgeheven hoofd zich een weg slalomt door het leven. Wie is dat vrouwmens? Ik ken haar niet. Heb ook niks met haar gemeen. En dat terwijl zoveel andere vrouwmensen haar in de armen sluiten als was zij een langvergeten zus. Een vrouwtjesbroeder. De hoogst gemene deler op het speelplein. Alwaar ik nog steeds letters tot leven tover in het zwarte zand aan de zijlijn. Iemand moet het doen.

Laat ons een kat een kat noemen. Er zweemt al genoeg geneuzel op het net. Het is de geëmancipeerde vrouw. Het woord is eruit. Zie zo. De geëmancipeerde vrouw dus. Wie is zij? En waarom is zij in zo grote getalen alom aanwezig? Waarom trekt zij voortdurend aan mijn mouw? Weet zij dan niet dat ik haar veracht? Dat ik haar te lomp vind om te helpen donderen? In al haar potsierlijke pronkerigheid? Weet zij dan niet dat ze bij het ootje genomen wordt? Door een patriarchale maatschappij? Waarin geen plaats meer is voor amazonen? Voor doodgewone moeders en minnaressen? Voor heksen en dorpszotinnen? Met meer wijsheid in hun leden dan in de bloeddoorlopen hoofden boven het glazen plafond?

Duizend gemaquilleerde ogen kijken me aan. Met open mond. Dit is niet wat zij willen horen. Fuck them. Ik zeg wat ik wil. Dit is mijn podium. Laat ons, zeg ik en ik kijk hen diep in het strottenhoofd, een nieuwe vrouw boetseren. Weg met de nieuwe man. Wat een watje was me dat. Het is tijd voor de nieuwe vrouw. Geen hermafroditisch, besluiteloos wezen, balancerend tussen de preutsheid der begijnenordes en de competitiviteit van de man. Smijt haar in de vuilbak. Zij is een gedrocht. Weg met de smetteloze, veilige haven waarin wij aan de leiband mogen lopen van het mansvolk. Ik spring op de barricades en breng tot leven in onze betonnen woestenij: De polygemaskerde dame!

De wat? Opnieuw vallen duizend monden open. Ik herhaal: De polygemaskerde dame! De huisdokter-voedingsspecialiste, de moeder-minnares, de breister-kokkin, de aan huis onderwijzeres-troostend lichaam, de kleerscheurenhersteller-tovenares, het alfavrouwtje van het eigen nest.

Van op de achterste rij klinkt voorzichtig boegeroep. Langzaam zwelt het aan tot je niet meer weet waarvandaan het komt. Het lijkt wel uit de grond te dwarrelen, gelijk junikevers. Een zee van sopraangeboe stormt door de zaal. Dreunt steeds harder tegen de dijk waarop ik wankel sta. Alle zandzakjes in de wereld houden dit geweld niet tegen. Ouderwetse trut, roept de meute. En dat zij vooruit willen. Niet ter plaatse willen blijven trappelen. En zeker niet achteruit. Vooruit! Vooruit met de horde!

De zaal loopt leeg. In de coulissen kijken vier schattige oogjes mij aan. Werpen troost op de planken. Schuifelen dichterbij. Ik haal mijn schouders op. Vier kleine armpjes rondom mij. De tijd is nog niet rijp, mam. Laat hem nog wat hangen. Tot ‘ie zich blozend onweerstaanbaar prent in de harten van de mensen. Zoet en vol levenssappen. De ongezouten zege van de Dulle Griet.

De Sprekende Ezels

Geplaatst op

Dertien waren we. Op de betonnen speelplaats van de middenschool. Wat we wilden worden? Dokter zei eentje en ik bedacht – toen al, ik zweer het u – dat je daar gelukkig niet al te intelligent voor moest zijn. Tolk. Engels – Zweeds. Wie bedenkt dat? Kapper. Dat is pas een beroep. Maar dan zat je op de verkeerde school. Daar had je geen geschiedenislessen voor nodig. Of toch? Volgens mij wel, maar ik was – toen al, ik zweer het u – een rare vogel. Met een bont gekleurd verenpak. En een grote snavel. Er wordt gelachen. Grote snavel? Je zegt amper iets. Je wangen gloeien als kolen als je blik een andere kruist. Je woorden sputteren in je keel. Een dorre woestijn. Water, iemand, breng het kind een beetje water!

En toch was het waar. Ik zou en ik moest een bontgekleurde boa worden. Met een grote snavel. En een buik vol verhalen. Mooie verhalen. Lelijke verhalen. Griezelsprookjes met Ensoriaanse maskers en gouden lepeltjes en gulzige beren en valsaards en geheime kamertjes, diep in je hart. Daarom zou ik trouwen met een timmerman. Er wordt gegrinnikt. De maagd Maria. Ja, lach maar. Ik wist – toen al, ik zweer het u – wel beter. Ik zou trouwen met een timmerman en die zou voor mij planken maken van bomen. Geen Ikeakwaliteit. Oh, nee. Eikenhouten planken. Inheemse eikenhouten planken. FSC voor mijn part. En van die planken zou mijn Jozef een piëdestalletje timmeren. En daar, vrienden zal ik op gaan staan. En dan, vrienden, zal ik mijn grote snavel open doen. En dan, vrienden, zal een eindeloze stroom van verhalen uit mijn buik fladderen. En jullie, vrienden, zullen ze opslurpen. Met een rietje. Of gewoon rechtstreeks via het bloed. En daar, vrienden, zal ik branden, prikkelen tot diep in jullie breintjes. Als je pilletjes voorschrijft voor een onbestaande ziekte. Die je net bedacht op het diagnosecentrum. Ergens in de provincie. Als je je knäckebröd oppözelt, door je ströttehöfd ramt with some fine Englisch tea & cream & fish & chips & finally inziet dat er meer oprechtheid schuilt in mijn bonte sprookjes dan in de grove leugen die je leven is.

Knip maar een korte pony, zeg ik. Slurp van mijn koffie. Zwart. Vandaag spreek ik Ezels. Elsje lacht. Ezels? Geen bonte boa meer? Geen bonte boa meer. Toch niet vandaag. Vandaag spreek ik Ezels, Elsje. In Turnhout of all places. Weet je dat zijn? Dat is ver. Ergens in de provincie Antwerpen. Maar weet je wat, er zijn al lang geen controleposten meer op de provinciale grensovergangen. Of ik dat wel zo zeker weet. Heel zeker, Elsje. Men investeert niet meer in manschappen. Dat is voorbij. Liever koopt men gevechtsvliegtuigen, veertig maar. En de sossen zullen dat – watch my words – nog verder terugdringen tot vijfentwintig! Hoera voor de sossen! Elsje lacht. Dat ik een rare vogel ben. Die vandaag Ezels spreekt. Met een korte pony. De dag kan niet meer stuk.Sprekende Ezels

https://www.facebook.com/events/439124312865030/?fref=ts 

Anker Tong

Fiction

Woordzoeker vzw

Muzische, artistieke taaleducatie voor kinderen, jongeren en volwassenen

Het Ontstaan

Hoe de woorden zich bewegen en vorm worden

Kim in de pen blogt

Belevenissen van een maandagskind

ben zo terug!

En toen was er...

Niels Hagen, een persoonlijk filosofisch weblog

Over: duurzaamheid, film, kunst, liefde, literatuur, muziek, politiek, sport en wetenschap

Rolf van der Leest

Gebundelde karakters als proviand voor de geest

gedacht & gedicht

en soms wat meer gedicht dan gedacht

pazzidiparole.wordpress.com/

Ann Van Dessel - Daniel Billiet - Erwin Steyaert - Hilde Pinnoo

Lettergoesting

Over kunst en letters en hun plaats in mijn leven

Fotogedichten van Lenjef

Losse gedachten in woord en beeld gevangen ©

Places Unknown

Dmitrii Lezine's Places Unknown is fine art and travel photography from around the world. Enjoy!

Figments of a DuTchess

not noble, just Dutch

Jonas Bruyneel

Literatuur/Journalistiek/Muziek

LouTerLou, I'm telling you

blogs, columns, life

Loessoep

I'd rather be a verb than a noun

Margo Hermans

Blog what you live; don't live to blog.

Lettersmid

Vindt (de) zin

Goed Gezind

Terug naar de eenvoud

Kluger Hans

Online platform

KING BILLY's REPUBLIC

For whatever it's worth

ilcavallobianco

corri, corri mezza prato

Alowieke

Ik kijk en ik creëer

Stop Shop 2014

we stoppen de shopping waanzin (voor één jaar)

Land van Eden

Of hoe we anders kunnen leven en denken.

Jean Philip De Tender

alles is een verhaal

kribbels uit mijn leven

een kijk in mijn gedachten en de gebeurtenissen uit mijn dagelijks leven, heel gewone dingen, misschien ook wel heel bijzondere......

Taaldacht

Mijmeringen over de aard en wortels van onze taal

Take This Now

Don't let yesterday use up too much of today

Juliecafmeyer's Blog

Just another WordPress.com site

sarahgoodreau

things and not things.

Door Suzanne

De beleving in al haar facetten

Opmerkelijke Manieren

mijn ervaringen als lid van Mensa

akim a.j. willems

pssst...het menu van deze site vind je dààr in het hoekje = = = = = = = = = > > > >

Groove Garden

Adriaan Kuipers

Spiegelingen

Mijn wereld in spiegelbeeld

Kaat Kladdert

Kaat kladdert erop los

Ketogeen... en... Wat ?

Zelfexperiment van ketogeen..... eten ! En ? Hé ? Ja dat !

Leen Huet

Leen Huets blog

%d bloggers liken dit: